Ergens halverwege de jaren negentig, toen we nog fit en gretig waren, belde een vriend uit Italië. Of ik wist wat calcetto was. Het bleek vijf-tegen-vijfvoetbal op een klein veld met zaalvoetbaldoelen te zijn. De vriend, die een semi-profcontractje had gescoord in de Serie D – een beetje geld, een scooter en een bijbaantje in een fabriek die zonnedaken in Fiats zette – had zich met twee collega’s ingeschreven voor het jaarlijkse zomertoernooi in Turijn. Maar drie is te weinig voor vijf tegen vijf, dus versterking uit Nederland was welkom.

Ik leende de Volvo van mijn vader en scheurde met een voetbalmaat vol gas over de Alpen. De eerste wedstrijd van het toernooi stond die avond om negen uur gepland. Twee uur voor de aftrap propten we onze 940 in een iets te klein Turijns parkeerplaatsje. Helemaal fit waren we niet na een dag rijden en dat het om negen uur ‘s avonds nog 26 graden was, hielp ook niet. Maar goed, pastaatje van de schoonmoeder erin, omkleden en ballen.
 
Terwijl wij de eerste wedstrijd dachten te gebruiken om te acclimatiseren en nieuwe kennissen te maken, barstte om ons heen een pandemonium los. Schuimbekkende, gesticulerende en schreeuwende Italianen draaiden als een wervelwind om ons heen. Wij, in het kalme oog van de storm, konden slechts toekijken hoe de tegenstanders steeds kozen uit een van hun twee meest effectieve wapens: de schwalbe of de granaatinslag in de kruising.
 
Halverwege stonden we met 3-0 achter. Tot woede van onze semiprofessionele vriend, die al net zo schuimbekte als de Italiaanse tegenstanders. Pogingen hem tot kalmte te manen (“We komen net uit de auto, het is te warm, wat maakt het uit als we een potje verliezen”) waren alleen maar olie op het vuur. De tweede helft deden we iets beter ons best, maar zonder wissel kwamen we niet verder dan een 5-2 nederlaag. Best oké, vonden wij, de omstandigheden in acht genomen. Maar onze gastheer en zijn twee Napolitaanse collega’s waren ontroostbaar.
 
Het leek ons een beetje overdreven allemaal, maar we waren even vergeten dat overdreven niet bestaat in Italië. Zeker niet als het om voetbal gaat. Overdrijven is de norm. Die les hadden we natuurlijk kunnen leren tijdens de wedstrijd, waarin alles was geoorloofd om te winnen en waarin onze verliezende teamgenoten erbij liepen alsof de apocalypse aan de gang was. Maar onze Nederlandse nuchterheid zat in de weg. En dus kregen we een tweede, harde les na afloop. Italianen zijn slechte verliezers, maar zo mogelijk nog slechtere winnaars.
 
Fijntjes werden ons de spelregels uit de doeken gedaan: de verliezers moesten de rekening van het veld voldoen – het calcetto-toernooi had een los-vaste organisatie die de velden wel reserveerde, maar niet betaalde. Er was geen inschrijfgeld, maar de teams moesten direct na de wedstrijden de veldhuur voldoen. Boter bij de vis.
Een andere traditie was het gezamenlijke diner na afloop. Ook hier werden de verliezers geacht de beurs te trekken. Wat op papier een mooi, sociaal gebruik leek, was in de praktijk een Italiaans inferno. De winnaars benadrukten hun superioriteit niet alleen door de wedstrijd uitvoerig na te bespreken, maar ook door zonder ophouden pizza’s te bestellen. Als de Diavolo half op was, werd de ober gewenkt voor een nieuwe Quattro Formaggi.
 
Vernederd en een pak lires armer pilsten we af bij onze semiprof, die de overbodige vraag stelde: “Snappen jullie nu waarom ik wilde winnen?” We spraken af: vanaf morgen zouden wij ons de over-mijn-lijkmentaliteit eigen maken die Italiaanse ploegen kenmerkt. Van ons zouden ze niet kennen winnen, maar wel verliezen.
 
Dat lukte, mede dankzij de keeper die we de volgende dag uit de snackbar onder het appartement van de semiprof plukten. De oud-keeper van het tweede van Juventus had zijn voetbaldromen verruild voor een broodjeszaak, nadat een hardnekkige rugblessure hem het spelen onmogelijk had gemaakt. Als in een Italiaanse B-film meldde hij tijdens het aanvegen van de vloer dat het spelletje voor hem verleden tijd was. We speelden op zijn gevoel door te zeggen dat we helemaal uit Nederland waren gekomen, maar hij schudde mismoedig het hoofd. Toch stond hij er ‘s avonds, met een retrosporttas tussen de calcettovelden.
 
Het was duidelijk waarom hij destijds door Juve was gescout. Zijn wederopstanding en de Italiaanse voetballessen van de vorige avond transformeerden ons team van vrijblijvende, ongeorganiseerde buitenlanders in een catenacciomachine die de rest van de week onverslaanbaar bleef. Onze officieuze naam stranieri – volgens de Noord-Italianen niet zozeer vanwege de drie Nederlanders, maar vooral om de twee Napolitanen en de van oorsprong Siciliaanse doelman – was eventje geen scheldwoord meer.
 
Eric de Jager