De voetballoopbaan van Ariel Covarrubias begint op een doodgewone zomerdag in Morón, een voorstad van Buenos Aires. Daar wordt de dan vijfjarige Ariel gescout tijdens een partijtje voetbal in een colonia de vacaciones, een typisch Argentijns zomerkamp voor kinderen van enigszins bemiddelde afkomst. Zijn profbestaan eindigt nog geen twintig jaar later op een knollenveld in de Chileense tweede divisie. Kapotte enkels breken een veelbelovende carrière in de dop. Waar ging het mis? Gezeten aan een tafel in zijn sfeervolle Haags-Argentijnse restaurant San Telmo blikt de nu 46-jarige Covarrubias voor Staantribune terug op zijn te korte leven als profvoetballer in Zuid-Amerika.

“Eindeloos waren de zomers in het Argentinië van mijn jeugd. Altijd warm, altijd zonnig. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat sporten op de velden in mijn eigen Morón. Tennis, atletiek, basketbal, zwemmen, we deden alles. En we speelden dus ook voetbal. Het was niet eens mijn lievelingssport, totdat een scout van de plaatselijke 77 Futbol Club na een partijtje naar me toekwam en vroeg of ik lid wilde worden. Ik ben direct naar huis gerend om het goede nieuws aan mijn ouders te vertellen. Die waren ook dolenthousiast. Dat kon ook niet anders met een vader die later bestuurslid jeugdzaken zou worden bij de Asociacion de Futbol Argentino (de Argentijnse voetbalbond, red.).


Ik was geen uitblinker in de jeugd, ik stond altijd rechtsback. Nou, dan weet je het wel. Meestal kan alleen de keeper er nóg minder van. Maar ik werkte hard en mocht op mijn twaalfde een testtraining afwerken voor Club Deportivo Morón, de eerstedivisieclub bij mij om de hoek. Daar werd ik afgewezen. Later kon ik alsnog terecht bij Almirante Brown, dat was een uur verder op met de bus. Ik had een droom, dus ik ging. Daar stond ik ook weer rechtsback. Ik was altijd klein hè, dat hielp ook niet. In het eerste jaar bij Almirante heb ik letterlijk geen minuut gespeeld, ik trainde alleen maar. Dat is dodelijk voor je zelfvertrouwen. Ballen onnodig over de zijlijn tikken, het zekere voor het onzekere nemen. Nee, het verdiende allemaal geen schoonheidsprijs.

Ariel Covarrubias zesde van link (naast de keeper)

Enfin, zo modderde dat nog een tijdje door totdat op een goede dag de laatste man in mijn elftal geblesseerd raakte. De trainer zette mij vanuit het niets centraal achterin, terwijl ik daar nog nooit had fespeeld had. Ik zweette natuurlijk peentjes. Maar als centrale verdediger vond ik ruimte en vrijheid, vanaf de eerste minuut. Opeens had ik tijd om voetballende oplossingen te bedenken, om vooruit te spelen. Het bleek dat ik al die jaren letterlijk opgesloten had gestaan als rechtsback, als een gekooid vogeltje. Ik moest libero worden om vrijheid te kennen.

Vanaf dat moment liep het als een trein. Ik kreeg zelfvertrouwen en verdeelde het spel. Maakte aanvallen en aanvallers onschadelijk. In die tijd deed ik, als enige, ook veel aan krachttraining en worstelen naast het voetbal. Die lichamelijke ontwikkeling heeft mij ook geholpen. En ik begon ook te scoren. Veel te scoren. En alles met het hoofdje, hè? Elke corner mee naar voren, timen en boem! Daar lag er wéér een in het net. Werd ik gedeeld topscorer in de jeugd, als centrale verdediger. En ik nam niet eens de strafschoppen. Een veelvuldig scorende libero viel natuurlijk op.

Het ging dus lekker bij Almirante, maar toch begon de tijd te dringen. Als je in Argentinië op je achttiende niet je eerste profcontract hebt getekend, kun je het als betaald voetballer eigenlijk wel schudden. De voorwedstrijden van het eerste elftal waren altijd scherprechter. Daar moesten de zeventienjarigen zich bewijzen, daar was het ‘do or die’. Ik wilde op mijn zestiende al meespelen, maar dat mocht niet van de trainer. Daarmee zou ik, volgens hem, de kansen van de spelers die een jaar boven mij zaten in de weg zitten.”

‘Lastige jongen’
“Ik wachtte mijn moment af. Inmiddels onder een nieuwe coach. Toen bleek ik op mijn zeventiende als enige van mijn lichting te starten in een voorwedstrijd. De rest was allemaal jonger, mijn teamgenoten kregen geen kans. “Wat is dit, waarom spelen mijn maten niet?” vroeg ik nog aan coach. “Geen commentaar, spelen!” was zijn antwoord. Dat heb ik geweigerd, waarmee ik misschien wel mijn eigen glazen ingooide. Er was in die tijd namelijk sprake van interesse van het grote Boca Juniors voor mij. Nooit meer iets van gehoord natuurlijk. Want ja, ik stond opeens te boek als lastige jongen. Achteraf zou je misschien wel kunnen zeggen dat mijn solidariteit mij heeft genekt.

Nu zou ik het misschien anders hebben gedaan, en die wedstrijd wél spelen. Maar ja, ik was zeventien, lichtelijk verward en opstandig. Ik had net mijn vader, mijn grote voorbeeld en raadgever, verloren aan een hartaanval. En solidariteit met je teamgenoten is niets om je voor te schamen, toch?

Maar mijn droom om te slagen als prof was nog niet voorbij. Via via belandde ik op mijn achttiende bij Union Espanola uit Santiago de Chile. Meervoudig landskampioen, bekerwinnaar in de jaren zeventig en zelfs finalist in de Copa Libertadores. Geen kleine club dus. Maar de coach die mij haalde, Nelson Acosta, werd al snel weggekocht door Cruz Azul uit Mexico. Eerst wilde hij me meenemen, maar de voorzitter van die club bleek een voorkeur te hebben voor spelers uit de Verenigde Staten, god mag weten waarom. Om een lang verhaal kort te maken: Acosta zat maar kort bij Cruz Azul en ik was ondertussen de overbodige vijfde buitenlander geworden bij Union Espanola. Ik werd uitgeleend aan Union San Felipe, dat uitkwam op het Chileense tweede niveau.

Chili is door zijn geografie een vreemd land. Uitwedstrijden op 1200 km afstand waren geen uitzondering. Je kwam in de gekste uithoeken, maar de stadions zaten vaak vol, vooral met mijnwerkers. En die velden. Wat een velden! De knollen sloopten mijn enkels. Uiteindelijk heb ik op mijn 24e, na nog eens twee jaar ploeteren in de Chileense Jupiler League, mijn contract ingeleverd. Mentaal en fysiek gesloopt. Tja, dat was het dan.”

Mentale weerbaarheid
“Mijn leven ging verder. Ik bleef hangen in Chili, ontmoette al snel mijn huidige Nederlandse vrouw en 22 jaar later zit ik hier tegenover jou in mijn Spaans-Argentijns restaurant in Den Haag mijn verhaal te doen. We zijn gespecialiseerd in tapas en natuurlijk Argentijnse biefstuk. Of ik nog iets met voetbal doe? Natuurlijk. Ieder WK is het hier groot feest. En ik train het C-elftal van mijn zoon. Mooi is dat, maar ik wil wél presteren met mijn elftal. Dat levert soms scheve blikken op. In Nederland willen ouders toch graag dat Piet of Kees ook zijn minuten maakt, ook als hij er niet zoveel van kan. Dat is allemaal leuk en aardig, maar uiteindelijk heb ik in die kleedkamer na afloop toch liever veertien juichende kereltjes na weer een overwinning, dan vijftien bedrukte gezichten na een nederlaag waarin iedereen aan bod is gekomen. Jammer voor Piet of Kees, maar het is ook een manier om hen tegen zichzelf en de hoon van hun ploeggenoten te beschermen.

In het stadion in zijn geboorteplaats Morón, met zoon Fito.


Het is een vorm van hardheid die in Nederland ontbreekt. Daarom snap ik die discussie over de toekomst van het Nederlands voetbal ook niet zo goed. Wel of geen buitenspelers, weg met de Hollandse school of juist niet. Volgens mij leidt het allemaal af van waar het in de top echt om draait: mentale weerbaarheid. Met tegenslagen kunnen omgaan. De absolute wil om te winnen. Dat zit er in Nederland al vanaf de jeugd te weinig in. Te egalitair, te verwend. Wat dat betreft heeft zo’n Ronald Koeman natuurlijk wel een punt.

Wat is overschat in het voetbal? Het belang van fanatieke supporters langs de lijn. Prachtig hoor, die Zuid-Amerikaanse passie in de stadions. Ik snap best dat je er vol ontzag naar kijkt als de klappers in het AFAS-stadion je referentiekader zijn, maar als speler maakt het geen verschil. In het veld hoor je het niet, je merkt het niet. Je bent alleen maar gefixeerd op de wedstrijd en je directe tegenstander. Ja, natuurlijk roepen voetballers in koor hoe geweldig de steun van de tribune is. Ze weten wel beter dan de fanatieke groepen tegen zich in het harnas te jagen. Zo’n Dirk Kuijt is zelfs doorgeslagen daarin. Maar of vuurwerk en gezang enig verschil maken tussen winnen of verliezen? Daar geloof ik helemaal niets van.

Een harde speler? Nog zo’n hardnekkig clichébeeld dat in Europa van Zuid-Amerikaanse verdedigers bestaat. Slagers. Volgens mij speelde ik fysiek stevig, maar niet gemeen. Geen schandalige aanslagen in ieder geval. Ik heb ze zien komen en gaan hoor, die grote Chileense spitsen van de jaren negentig. Zamorano en Salas bijvoorbeeld. Salas was de beste tegen wie ik heb gespeeld. Qua naam zeker. Of hij er op het veld bovenuit stak? Nee, ik ben wel meer makkelijk scorende spitsen tegengekomen. Dat besef heb ik wel overgehouden aan mijn jaren in het profvoetbal, er zijn heel veel spelers die heel aardig tegen een balletje kunnen trappen. Waarom de een dan schittert in Camp Nou en de ander zijn enkels breekt op een bijveld in Chili? Een kwestie van de juiste mensen tegenkomen, uitblinken op het goede moment, geen gekke dingen doen. Uiteindelijk is tien procent talent. De rest is geluk.”

Als gastheer van zijn restaurant San Telmo, in Den Haag

Michiel Hendrix