Het viel niet mee om aan kaartjes te komen voor de finale, zelfs niet voor een toegewijd fan als Tony. Zoals bij elke finale was een groot deel van de kaarten bestemd voor bobo’s, sponsors en ‘neutrale fans’, wie dat dan ook mogen zijn. Die laatste categorie kaarten wordt meestal verdeeld door de nationale bond van het organiserende land. Van de vijftigduizend tickets was ook nu slechts een kwart bestemd voor de echte Italiaanse en Engelse clubsupporters.

Natuurlijk had Tony kaarten. En dus vertrok hij op dinsdag 25 mei samen met zijn vijf jaar jongere broer per trein van Liverpool naar Dover. Alle treinstellen zaten bomvol uitgelaten Liverpool-fans, de coupés kleurden rood en wit. Daar droeg Tony overigens niet aan bij: al vanaf de jaren zeventig mat hij zich de casual look aan: hij droeg een spijkerbroek, een groene polo en een windjack, met daaronder een paar witte sneakers. Vanuit het kuststadje maakten ze nog dezelfde avond de oversteek naar Oostende. Daar was al een etmaal lang een heel contingent Liverpool-supporters aanwezig om zich drinkend voor te bereiden op de finale. Tony kwam er ’s ochtend vroeg aan om vanaf daar – weer per trein – om negen uur in de ochtend in de Belgische hoofdstad aan te komen.


In de trein en op de boot hadden de supporters, het merendeel jonge mannen tussen de vijftien en vijfentwintig jaar, elkaar opgejut. “Zodra ze beginnen te kloten, slaan we er meteen op”, werd er geroepen. Zo dacht Tony er ook over. Hij wilde geen problemen, dacht hij bij zichzelf, maar: “De eerste fucking Italiaan die me verkeerd aankijkt is er geweest.” De trein zat vol met jongens als hij, velen waren al voor de oversteek vervuld van het idee dat ze zich niet nog eens lieten beetnemen. Of eigenlijk waren ze dat al sinds Rome. Hij besefte dat de kleinste provocatie van Italiaanse zijde tot grote problemen kon leiden. Gelukkig, zo hoorde hij menig onervaren reiziger om hem heen zeggen, is het bier daar weak as piss, “dus kunnen we in ieder geval de hele dag lekker zuipen”. Dat het alcoholpercentage van het Belgische pils niet minder dan drie procent was, zoals thuis ze gewend waren, maar juist meer dan vijf procent, daar zouden de meesten nog wel achter komen.

‘Zodra ze beginnen te kloten, slaan we er meteen op’

Ook aan boord werd er flink gezopen, zag Tony, maar het was niet uit de hand gelopen. Op andere ferry’s wel. Daar hadden Liverpool-fans de kleding van onschuldige reizigers gejat en overboord gegooid. En dat waren dan nog niet eens de echte diehards, want die waren al op maandag vertrokken met eigen busjes. Nadat zij de oversteek hadden gemaakt waren ze in Blankenberg neergestreken, een bejaardenoord aan zee, om er twee dagen lang de beest uit te hangen, tot schrik van de vele pensionado’s en het hotel- en horecapersoneel.

Na een korte wandeling door Brussel namen de meesten gauw plaats op een van de vele terrassen die al vroeg geopend waren. Het was prachtig weer en Tony en zijn broer genoten van de sfeer op La Grande Place, het historische hart van de stad met zijn klassieke panden en stadhuis, opgetrokken in Italiaanse stijl. Het viel Tony op dat naarmate de dag vorderde en het steeds drukker werd op het centrale plein, de onderlinge sfeer beslist goed te noemen was. De Engelsen, in hun blote bast, bulderden vanaf de terrassen hun liederen: Arrivederci Roma, klonk het, een verwijzing naar de twee Europacupvictories in die stad, op de melodie van de klassieker van Dean Martin. Eén Juve-fan rende steeds maar over het plein heen en weer met een enorme zwart-witte vlag. Er werden handen geschud en sjaaltjes geruild. Tony had, om de brandende zon op het plein het hoofd te bieden, toch ook maar een rood-wit petje aangeschaft bij een toeristenkraampje. Intussen werden er vazen bier leeggedronken alsof het limonade was.

Het was tegen één uur in de middag toen Tony, zoals afgesproken, twee van zijn vrienden op het plein ontmoette. In tegenstelling tot zijn eigen goede stemming zag hij bij hen een geschokte blik.

“Wat is er jongens?”

“Je zult het niet geloven; we komen hier vlakbij aan met de bus op een parkeerplaats. De deur zwaait open, één gast springt eruit en ramt meteen twee Italianen met een staaf tegen de grond.” “He almost fuckin’ killed them”, vertelt zijn Ierse vriend Ian met een gekweld gezicht.

“Wat een gek. Kom, we gaan bier drinken”, roept Tony. Hij was niet van plan zijn stemming te laten bederven door één idioot.

‘He almost fuckin’ killed them’

Gezamenlijk gingen ze aan het bier en het incident was gauw vergeten. Zijn vrienden haalden hun alcohol-achterstand snel in. Ian, toch een geoefend drinker, wankelde na een paar uur op zijn benen.

Intussen werd de sfeer op het plein steeds uitbundiger. Tot een uur of drie in de middag. Bijna onmerkbaar veranderde de situatie, de alcohol sloeg toe. Terwijl de eerste kroegen hun deuren sloten en de Italianen bistrootjes en restaurantjes opzochten om wat te gaan eten, lieten de Engelsen nog gauw extra dienbladen vol bier aanrukken. Op het plein lag inmiddels een tapijt van glas. Tony en zijn vrienden besloten tijdig op weg te gaan naar het stadion zodat ze daar wat konden ontnuchteren. Tony ging wel nog even op zoek naar extra bier voor onderweg.

Daar liep hij door de Brusselse straatjes; tamelijk aangeschoten, breeduit, zijn armen lichtjes zwaaiend langs zijn lijf. Vanuit zijn ooghoek zag hij op een terrasje een groepje Italianen zitten, die hem koel en strak aankeken. Tony bleef staan, hield zijn hoofd een tikje schuin en met één oog dichtgeknepen keek strak terug: “What the fuck are you lookin’ at?” De Italianen keken weg, Tony voelde zich de winnaar van de non-verbale strijd en wandelde quasi ontspannen verder.

Een steeg verderop hoorde hij een groepje landgenoten hard, hysterisch bijna, lachen. Tony liep eropaf en vroeg wat er zo grappig was. “Kijk zelf maar”, grinnikte een scouser en hij wees naar een etalageruit. Het was een juwelierszaak en het hilarische was dat de horloges en kettingen zomaar achter het glas lagen, er zat helemaal geen beschermend metaal achter de ruit. Tony liep door terwijl de jongens nog steeds pret hadden om zó veel domheid.

Hij kwam bij een supermarkt, maar daar hoefde hij niet eens naar binnen te gaan. Bij de ingang stond iemand in een rood-wit shirt met voor zich een kartonnen pallet halve literblikken bier. “You’re a scouse?” vroeg de man. Tony hoefde niet eens te antwoorden, hij kreeg van zijn stadgenoot een sixpack in handen gedrukt. Tony vervolgde dezelfde weg terug naar zijn vrienden.

Waar een paar minuten eerder de lachende jongens stonden, loeiden nu politiesirenes en het winkelalarm. De straat lag bezaaid met glassplinters en de oproerpolitie kwam aangesneld. “Haha, fuckin’ brilliant”, riep Tony hardop, tegen niemand in het bijzonder. En hij liep door. Daar kwamen twee Italiaanse jongens hem tegemoet. Die heeft een mooi zonnehoedje op, dacht Tony en hij schoot de kleinste van de twee aan. “Nice hat, let’s swap”, zei Tony en hij trok zijn eigen petje van zijn hoofd – een flutding vond hij zelf – en tegelijkertijd griste hij de Juve-hoed van het hoofd van de jongen tegenover hem. Hij zag iets van afkeer in de donkere ogen tegenover hem en dacht: “Pech gehad jochie.”

‘Nice hat, let’s swap’

Terug op de Grote Markt leek iedereen, in de korte tijd dat hij weg was geweest, nog bezopener geworden. Achter hem rolden winkelkarretjes vol gejat bier over de kasseien. Opeens zag Tony dingen die hij niet meer zo grappig vond: uitdagen, schreeuwen, gooien met glas; Liverpool-supporters die bewust ruzie zochten.

Tony zag dat zijn Ierse vriend Ian nog amper op zijn benen kon staan. “Laten we nu maar naar het stadion gaan”, stelde hij voor. Met zijn vieren gingen ze op pad, Ian tussen twee man in. Diens armen hingen zwaar op de schouders van Tony en zijn broer, zijn benen deden een armoedige poging tot wandelen. Hij hoefde zich amper te schamen, er waren er meer die na een hele dag bier drinken niet meer op hun benen konden staan.

Tegen zes uur, ruim twee uur voor de aftrap, arriveerden ze bij het Heizelstadion, naast het groene Park van Laken en het Atomium. Bomen omzoomden het stadion en Tony zag hoe de avondzon zacht weerkaatst werd in de grote metalen bollen van het monument.

De liefelijke omstandigheden ten spijt, rondom het stadion heerste chaos. Mensen stonden te wankelen op hun benen, er werd gekotst, geürineerd op straat. Kleine onenigheden met Italianen liepen uit op vechtpartijtjes. Bij een hotdog-kraampje had een steekincident plaatsgevonden; een jonge Engelsman werd door de uitbater van diefstal beschuldigd, de verkoper had een mes tevoorschijn getrokken en de vermeende dief gestoken. Al gauw ging het gerucht dat Italianen weer rondliepen met messen om onschuldige Engelsen te steken.

In de directe omgeving van de Liverpool-ingang van het stadion waren de kroegen open. De Engelsen waren sinds eind jaren zeventig niet anders gewend dan een totale drooglegging rond het stadion, maar in Brussel golden vandaag andere regels. Ze maakten dankbaar gebruik van de mogelijkheid zich nóg voller te laten lopen.

Tony trok zijn kaartje tevoorschijn. “Place debout, Staanplaats,” stond er in twee talen, naast de letters XYZ, waarbij de laatste letter met zwarte stift was weggewerkt. De prijs was driehonderd Belgische Francs, oftewel zo´n vijfenhalve Engelse Pond. Een spotprijs. Maar ze waren ook schaars. Dus waren sommigen zonder kaartje naar het stadion gekomen in de hoop een manier te vinden om toch binnen te komen. Dat bleek eenvoudiger dan gedacht.

Hoe aangeschoten Tony op dat moment ook was, het was onmogelijk níét te zien dat het stadion een bouwval was. Hij zag hoe mensen probeerden gaten te schoppen in de stadionmuur. En dat lukte ook nog: het vijftig jaar oude beton gaf een uitsparing waar een aantal mensen doorheen konden kruipen voordat de politie, gewapend met knuppels, het gat blokkeerde. Hij zag hoe anderen over de stadionmuren heen probeerden te klimmen. Eén jongen, een jong ventje nog, kwam daarbij vast te zitten in het prikkeldraad. Een gehelmde agent probeerde hem met zijn wapenstok naar beneden te slaan. Tony liep eropaf en duwde de agent weg. De agent draaide zich naar Tony toe en die bedacht zich geen moment: hij sloeg de agent door het open vizier van zijn helm op diens gezicht. De agent rende weg.

‘Hij sloeg de agent door het open vizier van zijn helm op diens gezicht’

Tony sloot vervolgens aan in de rij voor de ingang. Hier vond geen gewone kaartjescontrole plaats, zag hij. Controleurs zaten aan tafels, het was kinderspel om gewoon door te lopen, wat Tony ook deed. Met een compleet ticket liep hij door de bruine drek – het gevolg van een geknapte waterleiding die van het terrein een modderige afvalpoel maakte – de tribune op. Hij was niet de enige; kaartjes werden vervolgens over de muur van het stadion doorgegeven aan de wachtenden buiten. Het gevolg was dat de vakken X en Y ramvol kwamen te zitten. Later bleek dat er ook veel valse kaartjes in omloop waren geweest.

Deze twee vakken waren rood-wit gekleurd, maar het leek was alsof de rest van het stadion aan Juventus toebehoorde. De meeste vakken waren zwart-wit gekleurd, er werd met enorme vlaggen gezwaaid en er steeg een oorverdovend en onophoudelijk geschreeuw uit op: “Juve! Juve!” Dat kwam ook uit het vak naast de Liverpool-supporters, het zogenaamd neutrale Vak Z. Kaarten voor dat vak waren via de Belgische voetbalbond terechtgekomen bij lokale handelaren en reisbureaus. En langs die weg waren de meeste kaarten in handen gekomen van de vele Italianen die als arbeidsmigranten in België woonden.

Daar stonden Tony en zijn vrienden nu, dicht opeengepakt en ze stierven van de dorst. Vlak voor hen brak een van de leunhekken los uit het beton doordat er een paar mensen tegenaan leunden. Aan de uiteinden van het metaal zaten brokken loszittend beton. Ze gingen op zoek naar een plek waar ze wel enigszins fatsoenlijk konden staan. Ze liepen naar de rand van het vak, waar een provisorisch aangebracht hek van kippengaas de Liverpool-supporters moest scheiden van Vak Z. In dat vak, zagen ze, was nog ruimte genoeg. Er was een kleine bufferzone waar geen supporters stonden, wel een paar agenten.

Tony verliet de plek om op zoek te gaan naar frisdrank – in het stadion werd geen alcohol verkocht. Sommigen waren er wel in geslaagd flessen Chimay en Duvel het stadion in te krijgen, maar Tony kon even geen bier meer zien. Binnen de stadionpoorten was nauwelijks politie te bekennen en daarvan had een groep Engelse supporters dankbaar gebruikgemaakt door een snackkraam te overvallen. Tony ging op het dak van de kraam staan en kreeg bekers cola in zijn handen gedrukt. Wij zijn hier de baas, dacht Tony en hij keek tevreden over de massa uit. Hij voelde zich de koning van het stadion.

Met een paar bekertjes fris in zijn hand ging hij weer op zoek naar zijn vrienden in het vak dat zo mogelijk nog verder was volgelopen. Hij zag ze nergens. Wat hij wel zag, was dat het prikkeldraad dat van boven het tijdelijke hekwerk naast Vak Z gespannen was, omlaag getrokken was. In het vak ernaast was ruimte zat. Hij besloot ook over het hek te klimmen. Om hem heen zag hij flink wat agressieve gasten. Hij zag ook hoe een aantal van hen naar voren stormde, terugdeinsde en weer naar voren ging. Hij zag ook dat verderop op in Vak Z gevochten werd met de oproerpolitie, al waren er maar een paar manschappen op de been. Tony sloeg er weinig acht op. Dit zag hij wekelijks van nabij. Het zag er ook niet heel heftig uit, vond hij. Zijn blik was gericht op het vak naast hem, om te zien of hij zijn vrienden ergens kon ontwaren en ze over te halen ook naar dit vak te gaan, want dit was best een goed plekje.

Hij zag ze nergens en ging uiteindelijk maar weer terug naar Vak Y, waar hij zijn kameraden na een tijdje toch vond. Ze hadden geen goed zicht op wat zich in de hoek van het stadion naast hen afspeelde. Het leek erop alsof de situatie weer gekalmeerd was, maar het vreemde was dat de politie in de hoek plaats had gemaakt voor hulpdiensten. Wat nog vreemder was, was dat het tijdstip van de aftrap naderde, maar dat niets erop wees dat de wedstrijd daadwerkelijk zou beginnen. Opeens klonk er een oproep in het stadion, niet in het Engels. “Het klinkt als een lijst met namen”, riep Tony’s broer. Toen er om kwart over acht niet werd afgetrapt, begon Tony te vermoeden dat er wel eens iets mis kon zijn. Kort daarop kwamen agenten te paard en verse bataljons politie in gevechtstenue het stadion binnenmarcheren.

‘Agenten te paard en verse bataljons politie kwamen het stadion binnenmarcheren’

Opeens zag hij hoe de Juventus-fans aan de andere kant van het stadion uit hun vakken braken. Ze hadden sjaals over hun mond en neus getrokken, ze gooiden met stenen en vuurwerk naar de politie en zwaaiden met lange staven en stokken – loszittend materiaal uit het stadion. De politie schoot met traangas, maar een aantal ultra´s rukten op naar de Liverpool-vakken. De Engelsen sprongen in de hekken, klaar om de bestormers te lijf te gaan. “Shit, Tony”, zei zijn vriend Mark met trillende stem: “Als die hekken omlaag gaan, is het voetbal voorbij. Dan vallen er honderden doden.” Een van de ultra’s zwaaide met een pistool – naar later zou blijken een alarmpistool – maar het zegt genoeg over de grondigheid waarmee er gefouilleerd was. Voordat opnieuw totale chaos uitbrak wist de oproerpolitie de ultra’s – voorlopig – terug te dringen in hun vakken aan de andere kant van het stadion. Intussen werd er maar niet afgetrapt en deden de gekste geruchten de ronde. “Er is een Liverpool-fan vermoord buiten het stadion”, riep iemand. Opnieuw klonk het gerucht dat er veel Engelsen waren neergestoken door Italianen. Iedereen was bereid de paniekzaaiers te geloven.

De waarheid was nog veel gruwelijker. Engelse hooligans hadden het neutrale Vak Z al enige tijd onder vuur genomen met flessen en stenen en na enige tijd besloot een aantal van hen dat het tijd was dit vak, bevolkt door families, vaders met kinderen, vrouwen en mensen op leeftijd, gewapend met ijzeren staven te bestormen. Later zouden Engelsen beweren dat supporters uit Vak Y en Z elkaar uitdaagden, maar veel ooggetuigen hielden het op provocaties van één zijde, de Engelse. Op televisiebeelden is te zien hoe de hooligans vanuit het Liverpool-vak, het vak naast het hunne bestoken met allerlei projectielen. Op dat moment, zo rond de klok van zeven, was er op het veld een jeugdwedstrijd aan de gang en de aanval op het Italiaanse vak zou zijn ingezet op het moment dat het witte team – dat aangemoedigd werd door Juventus – scoorde tegen het rode team. Op amateurbeelden, gemaakt vanaf de lange zijde van het stadion is te zien hoe tientallen, mogelijk honderden fans van Liverpool zich een weg baanden door het neutrale vak en hoe mensen in blinde paniek wegvluchtten. Er werd opnieuw met projectielen gegooid en met stokken geslagen. Enkele Italianen verweerden zich, maar het merendeel vluchtte weg. Een aantal keer renden de hooligans om onduidelijke redenen terug – van ingrijpen door de politie was geen sprake – om vervolgens opnieuw de aanval in te zetten, tot drie keer toe. Van massale vechtpartijen was geen sprake, het waren kleine opstootjes tussen horden Engelsen en een paar mensen die zich verdedigden. Op camerabeelden die van bovenaf Vak Z werden gemaakt is te zien hoe supporters proberen de muur aan de achterzijde op te klimmen om zo het rampgebied te verlaten. Maar de muur is te hoog om er vanaf te springen. Onder hen staan dansende Engelsen, sommigen met buitgemaakte Juventus-vlaggen in hun hand. Het gedeelte van het vak recht achter het doel is dan door alle Italianen verlaten, er lopen nog slechts plukjes mensen rond. Het overgrote deel heeft zich zo ver mogelijk verwijderd van de Engelsen, die in de herinnering van sommige vluchtende Italianen een ‘duivelse blik’ in hun ogen hadden.

Onder de plek waar deze schermutselingen plaatsvonden, bevond zich de kleedruimte van de Liverpool-selectie. Terwijl zij zich voorbereidden op de wedstrijd hoorden zij opeens een gerommel, een hard geluid dat ze niet konden plaatsen. Het bleek een betonnen muur boven hen te zijn, die bezweek onder het gewicht van de mensenmassa die werd samengeperst in de hoek van Vak Z. Mensen tuimelden naar beneden en op elkaar. Hoewel de doden die vielen in eerste instantie werden toegeschreven aan het feit dat de muur omviel, lijkt het erop dat de ineenstorting juist voor verlichting zorgde voor de samengedrukte mensenmassa. In de hoek van het vak staken armen omhoog vanuit de menigte, handen smekend om uit deze poel van ellende getrokken te worden. Gezichten zwollen op en werden blauw. Degenen die eruit getrokken werden misten hun schoenen en andere kledingstukken, de mensenmassa was als een moeras van vlees waarin alles bleef hangen. Honderden mensen vochten, liggend op het beton en tussen warme, zware lijven, een doodsstrijd uit die minutenlang duurde. Voor sommigen duurde het tien minuten voordat de laatste adem uit hun lijf was geperst.

‘Mensen staken armen omhoog, smekend om uit deze poel van ellende getrokken te worden’

Kort daarvoor sloegen politieagenten op de sintelbaan met hun wapenstokken nog op de mensen die over de hekken waren geklommen om aan het gedrang te ontsnappen. Daar hielden ze pas mee op toen de ernst van de situatie in zijn volle omvang duidelijk werd. Bij de dienstdoende agenten stond opeens de paniek in de ogen. Ze hadden geen idee wat ze moesten doen. Helpen? Ingrijpen? Degenen die dienst hadden, waren veelal onervaren agenten. Een maand eerder had de paus Brussel bezocht en de vele agenten die daarbij waren ingezet, genoten nu van hun verlof. De politiechef die verantwoordelijk was voor de veiligheid op het grootste sportevenement van Europa dat jaar, had nooit eerder een voetbalwedstrijd meegemaakt. Hij was een week eerder in zijn functie benoemd.

Intussen had de oproerpolitie de Engelsen weten terug te dringen in hun eigen vak, waarna ze een levend cordon vormden tussen de Engelsen en de Italianen die nog in Vak Z stonden. De orders daarvoor waren van buiten het stadion gekomen; er was geen commandocentrum in het stadion en de radioverbinding functioneerde niet.

Op dranghekken werden mensen weggedragen van Vak Z, over degenen die al dood waren werden zwart-witte spandoeken gelegd. Hulpverleners die aan de rand van het veld slachtoffers reanimeerden, werden van achter het hek bekogeld door Liverpool-hooligans.

Meer en meer slachtoffers werden de catacomben binnengedragen. Officials en spelers die niet in de kleedkamer zaten, werd duidelijk dat er zich een ramp voltrok. Mensen met paarse gezichten, die hun laatste adem hadden uitgeblazen, werden via de spelerstunnel naar de parkeerplaats gebracht. Daar werd op andere slachtoffers hartmassage en mond-op-mondbeademing toegepast. De jeugdspelers die eerder op de avond een potje voetbal hadden mogen spelen, moesten via de hoofdingang het stadion verlaten. Ze kregen het advies hun handen voor hun ogen te houden. “Maar dat was niet eenvoudig als je met een sporttas in de hand over mensen heen moest klauteren. Ik heb toen mensen zien liggen met blauw aangezicht, opgezwollen buik en natte broek, waarschijnlijk van de urine”, herinnerde voetballer Serge Sadzo zich voor de camera’s van Andere Tijden Sport.

‘Ik zag mensen met een blauw aangezicht, opgezwollen buik en natte broek’

Martine Bollu, een jonge sociaal werkster van de brandweerdienst, kreeg als taak de slachtoffers te identificeren. Er was verder geen arts te bekennen. “Ik was daar alleen met deze doden. Ik ben moeder en ik zou ook hebben willen weten of mijn kind nog leefde. Er lag een man met een hele dikke buik en in zijn zakken vond ik de rekening van het restaurant dat hij eerder die avond had bezocht. Ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: ik hoop dat hij daar een mooie avond heeft gehad nu het zijn laatste maaltijd is geweest.”

Uiteindelijk telde Bollu 39 dodelijke slachtoffers: 32 Italianen, vier Belgen, twee Fransen en een Noord-Ier. Het jongste slachtoffer is het elfjarige jongetje Andrea Casula. De vlaggen die de lijken op het parkeerterrein bedekten, werden weggeblazen door de helikopters die de slachtoffers naar de ziekenhuizen afvoerden. In totaal waren er 580 gewonden, van wie er tientallen erg slecht aan toe waren.

Degenen die de horrortaferelen in Vak Z konden ontvluchten, zochten intussen naar een veilig heenkomen. Sommigen liepen naar de andere zijde van het stadion, naar de fanatieke aanhang van Juventus. Daar vertelden ze hun verhaal, dat als een lopend vuurtje rondging en dat de ultra’s deed exploderen. Ze braken uit hun vakken en toonden, eenmaal op de sintelbaan, een grote vlag met daarop ‘RED ANIMALS’. Alsof ze dit scenario hadden voorzien.

Terwijl op de ene plek zwaargewonden werden gereanimeerd en het voetbalveld veranderde in een slagveld, trokken UEFA-bestuurders, mensen van het organisatiecomité, politici en andere notabelen zich terug in de vipruimte. Zelfs daar bevonden zich gevluchte supporters, ze zaten er verdwaasd en versuft op hun hurken. Niemand had het lef ze weg te sturen. Deze wijze mannen en een enkele vrouw – de dochter van de Brusselse burgemeester Brouhon, die zelf poolshoogte had genomen bij Vak Z – moesten beslissen of ze vijftigduizend mensen naar huis moesten sturen uit respect voor de doden, of dat de wedstrijd door moest gaan. Dat gebeurde niet in kalm overleg; er werd geschreeuwd en de discussies gingen van de hak op de tak. Totdat de Italiaanse minister Gianni De Michelis met zijn vuist op tafel sloeg en riep: “Nu allemaal koppen dicht!” Burgemeester Hervé Brouhon, een levensgenieter die ook deze avond een slok te veel op had, wist waarschijnlijk niet wie hij voor zich had en riep: “Houd jij je kop, of ik laat je arresteren!” De Michelis verklaarde achteraf: “Het leek erop alsof het enige wat ze allemaal konden zeggen was: het is niet onze schuld, het is niet onze verantwoordelijkheid.” Hij vroeg uiteindelijk: “Wie is hier eigenlijk de baas?” Waarop Brouhon zich omdraaide en naar politiebaas Robert Bernaert wees: “Hij.” Deze Bernaert moest een eindoordeel vellen en zei: “Geef me tijd om extra versterking in te zetten, daarna moet de wedstrijd doorgaan.”

‘Allemaal koppen dicht!’

Het argument daarvoor was: we moeten spelen, als we nu vijftigduizend mensen de straat opsturen, krijgen we waarschijnlijk nog veel grotere problemen. Degenen die de show moesten opvoeren was het intussen wel duidelijk dat er iets goed mis was, al wist de een meer dan de ander. De voetballers zagen gewonden liggen in de catacomben en het was ook niet bepaald alledaags dat er oproeppolitie voor hun kleedkamerdeuren stond. Sommige spelers wisten dat er doden gevallen waren, maar ze kregen van de politiebaas Bernaert de duidelijke opdracht om te gaan spelen.

Rond het veld zorgden woedende ultra’s op dat moment nog steeds voor onrust. Spelers werden het veld opgestuurd om hun fans te kalmeren. Cabrini, Tardelli en Brio liepen op het Juventus-vak af en de fans kwamen op hen af als een zwerm bijeen op een pot honing. Het bleek amper mogelijk de wilde menigte iets duidelijk te maken. “Ze hebben mensen vermoord, weten jullie dat?!” gilde er één. “Mag ik je handtekening?” riep een ander. “Rustig, het valt wel mee, er zijn gewonden, we gaan gewoon spelen”, riepen de voetballers terug.

Aan de andere kant wist Liverpool-captain Phil Neal wel beter. In de catacomben werd hij bespuugd door boze Italianen. Hij was zwaar geëmotioneerd en vroeg aan de UEFA-begeleider die naast hem liep of hij zijn arm mocht vasthouden toen hij op de fans afliep. Hij sprak hen toe en smeekte ze om rustig te blijven.

Om tien over halftien gebeurde het onmogelijke: de spelers kwamen, alsof er niets aan de hand was, het veld opgelopen, poseerden voor de elftalfoto en gingen klaarstaan voor de aftrap. Tony dacht bij zichzelf: zo ernstig kan het allemaal niet zijn wat er gebeurd is, anders stonden zij daar niet. De oproerpolitie stond de hele wedstrijd voor het Juve-vak, maar nieuwe geweldsuitbarstingen bleven uit. Tony zag dat de sfeer in het Liverpool-vak ronduit mat was. En hoewel de supporters in het stadion minder wisten dan de miljoenen televisiekijkers elders in Europa, was het tot de meesten wel doorgedrongen dat er iets niet klopte. Sommigen hadden al gehoord dat er doden waren gevallen, maar niemand wist iets zeker.

Juventus won de wedstrijd met 1-0 nadat Platini in de tweede helft een onterecht gegeven strafschop had benut. Hij juichte en rende na zijn doelpunt uitgelaten over het veld alsof er nooit iets was gebeurd, alsof hij in een ander universum leefde. De tifosi op de tribune reageerden al even geëxalteerd. Toen de scheidsrechter affloot werd er gefeest en uitgelaten geschreeuwd. “Campeone! riepen ze bij het verlaten van het stadion, maar ook: “Assassini, moordenaars!”

‘De spelers en supporters renden over het veld alsof er niets was gebeurd’

Na afloop begroef Tony zijn gezicht in zijn handen. Hij was diep teleurgesteld over het resultaat. Met lede ogen zag hij toe hoe de Italianen de beker overhandigd kregen en omringd door persfotografen en wedstrijdofficials stonden te dansen op het veld, hoe de supporters aan de andere kant van het veld uitbundig zwaaiden met hun vlaggen en vreugdevuurwerk ontstaken. Al voor het eindsignaal waren supporters vertrokken en nu stroomde het vak Engelse vak snel leeg. Ze stapten in de gereedstaande bussen die ze naar het station aan de noordzijde van de stad moesten vervoeren of liepen naar het dichtstbijzijnde treinstation. Tony zag zwaar bewapende eenheden staan, ze droegen machinegeweren en hij dacht: “Dit is precies wat we nodig hebben, zulk provocerend machtsvertoon na een nederlaag.” Toen iedereen in de bus zat, opende een politieagent de deur en gooide traangas naar binnen. “Waar sláát dit in godsnaam op?” vroeg iedereen in de bus zich verbijsterd af, terwijl ze hun ogen, neus en mond probeerden te beschermen tegen het gas.

Woorden van gelijk strekking schreef Martine Bollu, de sociaal werkster, die nacht op in een schrift. Ze had niemand om mee te praten en moest haar gruwelijke ervaringen op een of andere manier kwijt. Ze vroeg zich af of deze hele avond soms een hele slechte grap was geweest.

Op de boot terug viel Tony uitgeput in slaap. Toen hij wakker werd en in zijn pijnlijke ogen wreef, hield Ian hem een blik Carlsberg voor. “Ga weg man, ik kan geen bier zien”, zei Tony en hij duwde de arm van zijn vriend opzij. “Neem toch maar, je zult het nodig hebben. Kom maar mee.” Tony zette het blik aan zijn mond en volgde Ian naar het restaurantgedeelte waar de televisie aanstond. Op het scherm zag hij de Engelse nieuwsuitzending over de gebeurtenissen van de avond ervoor. Hij nam een slok en luisterde. Nog een slok. “Negen-en-dertig-doden, fuckin’ hell”, fluisterde hij tegen zichzelf. Hij zette zijn blik weg, spoedde zich naar de wc en kotste zijn bier direct uit. De dagen die volgden, voelde hij zich nog even waardeloos als tijdens de trip op de ferry die zo onwerkelijk aanvoelde.

Meteen na afloop begon de zoektocht naar de schuldigen. Die waren snel gevonden. UEFA-onderzoeker Günter Schneider stelde de dag na de wedstrijd dat de hooligans van Liverpool schuld droegen en niemand anders. Bij aankomst in eigen land werden ze uitgescholden voor moordenaars. Maar de Liverpudlians verweerden zich. Wie besloot in godsnaam dat de finale wel in een bouwval gespeeld kon worden? Door de omvallende muur waren de doden gevallen. En hoe was het mogelijk dat het neutrale vak vol zat met Italianen? Dat was vragen om problemen. En trouwens, waren het wel Liverpool-supporters? Volgens John Smith, de voorzitter van Liverpool, waren leden van het National Front uit Londen de ware aanstichters.

Tony wist wel beter: als daar Chelsea-supporters of andere fascisten hadden rondgelopen, dan hadden de Reds, met hun linkse politieke voorkeur, ze wel aangepakt. Toen hij later de foto’s zag, wist hij genoeg. Deze jongens kende hij. Niet allemaal natuurlijk, maar het waren jongens uit Liverpool. “It was our lot.”

Lees meer over het Heizeldrama en hooliganisme in het boek Toen was geweld heel gewoon van Friso Schotanus.