De voorbereiding. Het niemandsland in de aanloop naar de competitiestart. De gebruikelijke verwachtingen worden gekoesterd, de bekende ambities uitgesproken. Optimisme viert hoogtij. Als alles uitkomt worden er vijf clubs kampioen, belanden er veertien in het linkerrijtje en eindigt iedereen boven de streep.

Verreweg de meeste aandacht gaat deze weken uit naar ‘het circus’ dat de voorbereiding anno 2016 geworden is: als de transfercarrousel weer op hol slaat en er met miljoenen wordt gesmeten, als clubs vol trots het ‘nieuwe’ thuisshirt aanprijzen dat alleen met een vergrootglas verschilt van het tenue van vorig jaar, als de wereldtop op een als trainingskamp vermomde handelsreis naar China of de VS gaat.

De clubs werken hun obligate oefenwedstrijdjes af, en supporters staan te popelen tot de competitie weer begint. Toch is er ook een type supporter voor wie de voorbereiding juist de belangrijkste weken van het jaar zijn: de kleineclubsupporter. Met een kleineclubsupporter (m/v) bedoel ik de fanatieke aanhanger van de eeuwige underdog, van de structureel onderliggende partij; de trouwe fan van de club met een abonnement op het rechterrijtje; de loyale supporter die jaar in jaar uit meer nederlagen dan zeges, en meer tegengoals dan doelpunten voor te verwerken krijgt.

De voorbereiding, die lome zomerse periode dat er nog niet om het echie gevoetbald wordt, zijn voor hem de weken van hoop, geloof en liefde. Van het vurige hopen op succes, op dat het dit jaar in elk geval beter zal gaan. Van het aan godsdienstwaanzin grenzende geloof dat de puzzelstukjes nu op hun plaats zullen vallen, dat het dit seizoen daadwerkelijk een keer gaat lukken. Van de onvoorwaardelijke clubliefde die ervoor zorgt dat ondanks de inmiddels niet meer te tellen hoeveelheid bittere teleurstellingen de seizoenkaart toch gewoon weer met een jaar is verlengd. Want hoe donker het voorbije seizoen ook was, er breekt altijd weer een nieuwe zomer aan.

Als een pelgrim struint de kleineclubsupporter de oefenduels van zijn clubje af. Het is een prachtig woord, oefenduel. Het ademt vrijblijvendheid. Er wordt getest, uitgeprobeerd, ingeslepen. Maar voor de kleineclubsupporter zijn het vooral oefeningen in hoop. Elke strohalm wordt aangegrepen om de hoop te voeden. Zijn hart maakt een sprongetje als de nieuwe linksbuiten met een schaarbeweging zijn directe tegenstander het bos in stuurt. Eindelijk! We hebben er weer eentje. Dat die tegenstander de rechtsback van de lokale amateurvereniging is die net twintig kilo te zwaar van vakantie is teruggekeerd, wordt glad vergeten.

Hoop wordt geput uit dat knappe gelijkspel tegen een eredivisiesubtopper, ook al had die haar belangrijkste spelers rust gegund en was een fatsoenlijke pot voetbal praktisch onmogelijk door de zestien drinkpauzes en vierentwintig wissels. De kleineclubsupporter bestudeert nauwkeurig het competitieprogramma en constateert dat in de tweede periode de tegenstanders te doen zijn en een periodetitel daar voor het grijpen ligt. Hij beseft niet dat die tegenstanders er precies hetzelfde over denken, juist omdat ze dan tegen zíjn club moeten.

Zolang de competitie nog niet is begonnen staat iedereen nog op de maagdelijke 0, alles is nog mogelijk. Als de bal straks weer gaat rollen zal de hoop in ellende gesmoord worden. Het was niks, het is niks en het zal nooit iets worden. Soms maakt zijn club een vliegende start, maar vroeg of laat begint de vrije val. Niets zo frustrerend als de tweede seizoenshelft, wanneer de verrassingen van de heenronde langzaam maar onherroepelijk wegzakken naar de plek waar ze begrotingtechnisch horen, en de tegenvallers vice versa gestaag omhoogklimmen, omdat de wet van de grote getallen nou eenmaal ook in het voetbal zijn schrikbewind voert. De competitie duurt voor de kleineclubsupporter meestal net een maand of vier, vijf te lang.

En soms, heel soms, kruipt er eentje door de mazen van de wet, met als aansprekendste voorbeeld natuurlijk Leicester City. Hoeveel trainers zullen deze zomer het sprookje van Leicester ten voorbeeld stellen aan hun spelers? Menig kleineclubsupporter zal er hernieuwde hoop uit putten. Volgende week trapt zijn club weer af. Kort voor het eerste fluitsignaal klinkt en het lange lijden weer een aanvang neemt zal hij nog snel een blik werpen op de stand en zich ervan vergewissen: iedereen staat nog op 0. Alles is nog mogelijk.