In de Serie A staat zaterdagmiddag om 12.30 uur de wedstrijd tussen Torino en Bologna op het programma. Tegenwoordig een duel tussen twee middenmoters, maar in het interbellum een krachtmeting tussen twee ploegen die samen met Ambrosiana-Inter (het huidige Internazionale), Genua en Juventus de dienst uitmaakten in Italië. Het was ook de tijd dat het fascisme van Benito Mussolini het Italiaanse voetbal tot in zijn diepste vezels veranderde. Hierbij eisten Bologna en Torino meermaals een hoofdrol op. 

Il Duce was in 1926 vier jaar aan de macht en bezig om een stabiele basis in het weerbarstige land te creëren. Hij moest het vertrouwen van de bevolking winnen, nadat hij dit had geschaad door moordpartijen en het buitenspel zetten van vele politieke partijen. Voetbal was sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog volkssport nummer een geworden en een ideaal middel om de bevolking te beïnvloeden. Beetje bij beetje zette het regime der Zwarthemden dan ook het zo geliefde calcio naar zijn hand. 


Onterecht doelpunt
De Fascistische Partij had zich tijdens de eerste jaren van de heerschappij al enige keren laten gelden in de Italiaanse voetbalwereld. Tot 1925-1926 was de Italiaanse competitie nog opgedeeld in een noordelijke en zuidelijke liga, waarvan de winnaars speelden om het algehele kampioenschap. In de finale van de noordelijke titel stonden Bologna en Genua tegenover elkaar. Nadat beide teams ieder een wedstrijd met 2-1 hadden gewonnen, moest een derde krachtmeting op neutraal terrein uitsluitsel geven.

Genua, de regerend landskampioen, ging furieus van start. Bij rust stond de ploeg al met 2-0 voor. Deze tussenstand was echter tegen het zere been van Leandro Arpinati, Bologna-supporter en de lokale leider van de fascisten. Nadat halverwege de tweede helft een schot van een van de Rossoblu via de Genua-doelman naast het doel verdween, stuurde Arpinati een leger Zwarthemden richting de scheidsrechter. De arbiter werd een kwartier lang omringd door dreigende fascisten en koos uiteindelijk eieren voor zijn geld. De gegeven corner werd omgezet in een geldig doelpunt. Bologna scoorde vervolgens nog eenmaal en een vierde duel moest de beslissing brengen. 

Leandro Arpinati – Fascist uit Bologna, grondlegger van het huidige stadion Stadio Renato Dall’Ara. Later werd hij burgemeester van Bologna, voorzitter van de Italiaanse voetbalbond en het Italiaanse olympische comité.

De beslissingswedstrijd, die in Turijn werd afgewerkt, eindigde wederom in een gelijkspel, waardoor een beslissende vijfde wedstrijd moest worden gespeeld. Beide supportersgroepen liepen teleurgesteld terug naar treinstation Porta Nuova. Terwijl de trein met Bologna-supporters net wegreed, kwamen de tifosi van Genua het perron opgelopen. Er werd geschoten vanuit de trein en enkele supporters van Genua raakten gewond.  Doden vielen er uiteindelijk niet, maar het voorval leidde tot een onderzoek van de Italiaanse voetbalbond en vragen in het parlement. Voetbal was duidelijk meer geworden dan een sport; het was een maatschappelijk fenomeen.

Bologna won de vijfde wedstrijd en werd uiteindelijk landskampioen. Een voorval dat ze in Genua nog altijd dwarszit. In de oerjaren van het Italiaanse voetbal waren de kustbewoners namelijk de te kloppen ploeg. Omdat Genua een havenstad was, waren er veel contacten met Engeland. Hierdoor speelde men in Genua al heel vroeg the beautiful game. Dit leidde in die beginjaren tot in totaal negen landskampioenschappen. Die tiende werd mede door dit voorval nooit behaald, waardoor alleen Juventus, AC Milan en Internazionale met een kampioensster op de borst mogen spelen. Tot ver in de jaren zeventig werd er daarom door fanatieke supporters in Genua niet over Bologna gesproken, maar over ‘de dieven’. 

De serie wedstrijden tussen Bologna en Genua kreeg echter nog een staartje. De scheidsrechter, die werd belaagd door fascistische milities tijdens het derde onderonsje, was de baas van het Italiaanse scheidsrechterskorps. Deze Giovanni Mauro vond dat de arbiters meer beschermd moesten worden en dat er minder controle moest zijn over hun handelen. Vooral de grote Italiaanse clubs van die tijd bemoeiden zich via de voetbalbond of middels de overheid met de scheidsrechters. Er was zelfs een zwartboek over de scheidsrechters in omloop. Voor Mauro was de maat vol. Hij schreef in het vakblad voor scheidsrechters dat “eerbied en respect naar scheidsrechters toe terug moest komen”, ze waren nu “eerder clowns op het veld, dan rechters die het spel beoordeelden”.

Afbeelding II – Giovanni Mauro – Baas van het Italiaanse scheidsrechtergilde in de jaren twintig en een van de drie geesten achter het handvest van Viareggio.

Maar de druppel die de emmer deed overlopen, was de wedstrijd tussen Casale en Torino in februari 1926. De scheidsrechter van dienst had een goal van de bezoekers afgekeurd, omdat volgens hem “de heldere geest” ontbrak bij het maken van het doelpunt. De club uit Turijn tekende protest aan tegen het besluit. Dit werd gehonoreerd door de Italiaanse voetbalbond en de wedstrijd werd ongeldig verklaard. Gefluisterd werd dat dit gebeurde omdat Torino een lening aan de bond had verstrekt en zodoende een wit voetje had gehaald. De scheidsrechters zagen in dit besluit een ondermijning van hun gezag en gingen over op een staking. Dit hield in dat ze geen wedstrijd meer zouden fluiten en de Italiaanse competitie dus op zijn gat lag.

Carta Di Viareggio
Het regime van Mussolini zag de kans schoon om de Italiaanse competitie naar zijn hand te zetten. Lando Feretti, voorzitter van het Italiaanse Olympisch comité en lid van de fascistische partij, riep een commissie bijeen die het Italiaanse voetbal moest veranderen. Deze commissie bestond uit: Italo Foschi, een Romein die in de hoofdstad al ervaring had met het samengaan van fascisme en sport, Paolo Graziani, de voorzitter van Bologna, en scheidsrechtersbaas Mauro als derde lid. Gedrieën togen ze in de zomer van 1926 naar de Toscaanse badplaats Viareggio om daar in alle rust een nieuw plan voor de Italiaanse competitie te smeden.

Het zogenoemde Carta Di Viareggio zorgde voor een aardverschuiving in het Italiaanse voetballandschap. Tot die bewuste tweede augustus 1926, waarin het manifest naar buiten kwam, waren de spelers in de Italiaanse competitie veredelde amateurs. Het best te vergelijken met de spelers op de hoogste amateurniveaus in Nederland, in de tijd vóór de voetbalpiramide. Er waren schimmige constructies bedacht waarin de voetballers op de loonlijst van bedrijven van clubsponsoren belandden. Dat was nu voorbij. Italië had na Oostenrijk, Spanje en Hongarije de vierde  profcompetitie op het Europese vasteland.

Oriundo
Vanuit Mussolini’s Zwarthemden werden er enkele restricties aan de competitie opgelegd om de sport van het volk voor fascistische doeleinden te gebruiken. Zo mochten er vanaf 1928 geen buitenlanders meer deel uitmaken van de selecties. Dit had zware gevolgen. Toen het manifest werd gemaakt, waren ongeveer tachtig buitenlanders actief op het hoogste Italiaanse niveau. Deze spelers waren veelal afkomstig uit Oostenrijk en Hongarije. Dit omdat in de jaren twintig de voetbalstroming met de naam ‘Donau-school’ enorm populair was en de spelers daarvan die tactiek het beste onder de knie hadden. Sommige spelers kozen voor een trainersloopbaan, wat ze geen windeieren bracht. De Hongaar Árpád Weisz won in de jaren dertig meerdere malen de Serie A en zijn mede-landgenoot Ernest Erbstein zou de architect worden van het grote Torino eind jaren veertig. 

Ondertussen zochten de clubs naar oplossingen om de kwaliteitsachteruitgang op te vangen. Met een schuin oog werd gekeken naar Zuid-Amerika. Uruguay liet op de Olympische Spelen van 1924 zien een mondiale voetbalmacht te zijn en vier jaar later, in Amsterdam, schaarde ook Argentinië zich daarbij. Omdat eind negentiende eeuw een groot gedeelte van de bevolking uit de laars van Europa het schip had genomen naar de ‘nieuwe wereld’, zaten daar veel spelers met Italiaans bloed. Voetballers uit de verschillende gemeenschappen aldaar werden overgehaald om betaald voetbal te komen spelen in de Serie A. Zo kon het zijn dat dat Luis Monti met Argentinië in 1930 de WK-finale verloor en hem vier jaar later met Italië won. Andere voorbeelden waren de Uruguyanen Ettore Puricelli en Pedro Petrone, die topscorers van Italië zouden worden. In die zoektocht naar vervanging van spelers van de Donau-school ontstonden de oriundo: spelers met een buitenlandse nationaliteit, maar van Italiaanse komaf. 

Luis Monti verloor de eerste WK-finale van 1930 met zijn geboorteland Argentinië, maar won vier jaar later in zijn nieuwe vaderland wel mondiaal goud.

De Italiaanse competitie was opgedeeld in allerlei regionale bonden en competities, die allemaal hun eigen stem hadden. Daar maakte het trio in Viareggio middels het manifest een einde aan. Alles werd gelieerd aan de Italiaanse voetbalbond, die meteen een nieuwe voorzitter kreeg. De eerdergenoemde Arpinati – die scheidsrechter Mauro nog had bedreigd met zijn Zwarthemden – kreeg deze taak. Het eerste wat Arpinati – die inmiddels burgemeester van Bologna was geworden – deed, was het hoofdkantoor van de voetbalbond verplaatsen van Turijn naar zijn eigen geliefde stad.

Vervolgens werden de directies van de clubs aangepakt. Vanaf het seizoen 1927-1928 was het verplicht dat elke vereniging die aan het Italiaanse Olympische comité was gelieerd, een leidinggevende had die de goedkeuring van de Provinciale Fascistische sportorganisatie had. Dit hield in dat niet alleen alle voetbalclubs, maar ook elke sportvereniging onder de invloedssferen van Mussolini viel.

Ook de competitiestructuur werd veranderd. De competitie was zoals gezegd opgedeeld in een noordelijke en zuidelijke variant. De twee kampioenen van beide landsdelen speelden aan het einde van het seizoen tegen elkaar en maakten uit wie landskampioen werd. Die tweestrijd was een formaliteit voor de noordelijke teams. Het klassenverschil tussen beide landshelften was enorm. Zo ook in augustus 1926, toen Juventus de zuidelijke kampioen Alba Roma over twee wedstrijden met 12-1 versloeg.  

Om de nationale eenheid te verbeteren werd een landelijke competitie gesmeed. De noordelijke voetbalclubs waren echter zo machtig op het voetbalveld dat de verdeling niet fiftyfifty kon zijn. Het noorden leverde maar liefst zeventien teams, terwijl slechts drie teams uit het zuiden werden toegestaan. Dit waren Napoli, Alba Audace (een fusie van de kampioen van het zuiden Alba Roma en stadsgenoot Audace Roma) en Fortitudo Pro Roma (ook een net opgerichte fusieclub). Dat die laatste club werd toegevoegd was bijzonder. Hier kwam weer de vriendjespolitiek, die zo kenmerkend is onder dictatoriale regimes, om de hoek kijken. De grote noordelijke Italiaanse steden (Turijn, Milaan en Genua) werden met minstens twee clubs vertegenwoordigd in de nieuw te vormen competitie. Dit wilde de Romeinse sportbestuurder Foschi ook om zijn stad zichtbaarder te maken en zo geschiedde.

Aanslag
De twintig teams werden verdeeld over twee competities van tien clubs, waarna de top drie van beide poules een kampioenscompetitie vormden. De winnaar van die competitie mocht zichzelf de beste van Italië noemen. En zo kon op 3 oktober 1926 het eerste seizoen van de Divisione Nazional (nog geen Serie A) van start.  Het begin van een, zelfs voor Italiaanse begrippen, onstuimig voetbaljaar.

Zwarthemd Arpinati had ervoor gezorgd dat Bologna een nieuw stadion kreeg. Hij legde zelf de eerste steen in 1925 en liet het stadion ruim een jaar later door Mussolini inwijden. Dit gebeurde op 31 oktober tijdens de herdenking van het vierjarige jubileum van de Mars op Rome. Deze wandeltocht, waardoor Mussolini en zijn Zwarthemden in 1922 de macht grepen, was een van de hoogtepunten op de kalender van de  fascistische partij. Il Duce ging op een wit paard het Stadio Littoriale (tegenwoordig Stadio Renato Dall’Ara, waarover meer in Staantribune #11) binnen en na enkele formele handelingen en een speech ging hij terug naar het treinstation van Bologna. Arpinati escorteerde hem in een open auto door de stad en tijdens die tocht werd er een schot op de dictator gelost. De aanslag miste doel, en terwijl de premier zijn tocht afmaakte, werd de waarschijnlijke aanslagpleger, de vijftienjarige Anteo Zamboni, door groepen Zwarthemden op straat vermoord. 

Het inmiddels verdwenen beeld van Mussolini op een paard in stadion Littoriale te Bologna.

Wat voor Hitler de Rijksdagbrand van 1933 was, was voor Mussolini de aanslag in Bologna. De democratie werd definitief de nek omgedraaid. Binnen een maand werden er nieuwe wetten uitgevaardigd. Alleen de fascistische partij werd nog getolereerd in het Italiaanse parlement, er werd een geheime dienst opgezet om het fascisme te beschermen en de doodstraf werd na bijna veertig jaar weer ingevoerd. 

Ondertussen ging de competitie gewoon door. In poule A plaatsten Genua, Juventus en Inter zich voor de kampioenschapspoule, terwijl in poule B Torino, Bologna en AC Milan de afvaardiging vormden. Een van de sleutelwedstrijden om het kampioenschap was de derby van 5 juni 1927 tussen Juventus en Torino. De roodhemden wonnen de Derby Della Mole met 2-1 en de weg naar het kampioenschap lag open. De scudetto werd een speelronde later gepakt door een ruime overwinning op AC Milan. 

Omkoping
Toen Torino de titel al lang en breed had gevierd, ving journalist Renato Ferminelli een gesprek op tussen Juventus-speler Luigi Allemandi en Francesco Gaudioso (een student die als tussenpersoon optrad namens Torino). De speler zou nog 10.000 van de 25.000 in het vooruitzicht gestelde lire krijgen van de kersverse landskampioen. Dit bedrag kreeg hij om met zijn team bewust te verliezen van Torino. Het bestuur wilde dit bedrag echter niet betalen, omdat de voetballer volgens hen te goed had gespeeld in het stadstreffen, iets wat de kranten uit die tijd beamen. Ferminelli publiceerde het verhaal dat hij had opgevangen en de teerling was geworpen.*

De Italiaanse bond deed onder druk van het regime een onderzoek naar de zaak Allemandi. Het parlement in Rome zat ermee in zijn maag dat de nationale uitstraling van een landelijk kampioenschap zo was bevlekt. De verschillende verhalen die de ronde deden, werden snel doorgelicht en verschillende verdachten werden verhoord, want naast Allemandi zaten ook Juventus-spelers Virginio Rosetta, Federico Munerati en Pietro Pastore in de verdachtenbank. 

Zonder proces deed de bond in de persoon van bondsvoorzitter Arpinati begin november 1927 uitspraak. De titel werd van Torino afgepakt en Allemandi – die ondertussen voor Inter uitkwam – werd voor het leven geschorst, net als het bestuur van Torino. Munerati en Pastore kwamen weg met een kleine berisping, terwijl Rosetta zonder kleerscheuren uit de bureaucratische strijd kwam. De levenslange schorsing van Allemandi zou uiteindelijk maar acht maanden duren. Na de Olympische spelen van 1928, waarin Italië brons haalde, werd hij te belangrijk voor het Italiaanse team geacht. Met de Azzurri won hij het wereldkampioenschap van 1934. 

Angelo Schiavio van Bologna wordt achtervolgd door Virginio Rosetta (rechts) en Luigi Allemandi (midden). Ze zouden in 1934 alle drie wereldkampioen worden.

Logisch zou zijn dat de titel dan naar de nummer twee van de competitie zou gaan. Dit was het Bologna van Arpinati. Maar onder druk van het regime in Rome werd hiervan afgeweken. Dit om de schijnheiligheid hoog te houden. Net als in 2005 (omkoping Juventus) kent de Italiaanse competitie van 1927 geen officiële winnaar.

Ondertussen waren de drie teams uit het zuiden allemaal onderin geëindigd en zouden ze eigenlijk moeten degraderen. Eén team uit het onderste gedeelte van de laars zou juist de omgekeerde weg bewandelen en een divisie omhoog gaan: Lazio Roma. Dit was tegen het zere been van de fascisten, die juist een competitie wilden over het gehele Italiaanse grondgebied. De bond breidde het aantal teams per poule uit naar elf, waardoor de zuidelijke teams konden blijven. Ze moesten echter wel kunnen garanderen dat ze meekonden met de noordelijke teams. Napoli deed dit doordat Giorgio Ascarelli, een plaatselijke industrieel, zich opwierp en financiële garanties kon geven. In Rome kwam de plaatselijke sportbobo Foschi weer om de hoek kijken. 

 Italo Foschi was in de jaren grenzend aan het einde van de Eerste Wereldoorlog al actief als fascist. Onder zijn leiding ging het Romeinse sportleven op de schop en ontstond AS Roma.

Mede om meer tegenstand te bieden aan teams uit Milaan, Genua en Turijn werd AS Roma opgericht. De rol van beide Rome-teams was bij het eerste landelijke kampioenschap namelijk ronduit bedroevend. Fortitudo Pro Roma werd kansloos laatste in poule B en Alba Audace moest in poule A alleen Napoli onder zich dulden. Foschi wilde in de geest van het regime één sterke club in de hoofdstad en besloot tot een fusie tussen beide clubs en het lager spelende Football Club Roma. Deze drie verenigingen vormden samen Associazione Sportiva Roma, kortweg AS Roma. Lazio zou ook onderdeel moeten zijn bij deze fusie, maar de fascistische generaal Giorgi Vaccaro stak daar een stokje voor. Middels polemieken in de krant, gescherm met geldleningen en nationalistische sprookjes over Lazio, wist hij zijn club uit de handen van Foschi te houden. Hierdoor beschikte Rome ook in het seizoen 1927-1928 over twee teams in de hoogste klasse. 

HNK Rijeka
Omdat de landelijke competitie vooral een strijd tussen steden onderling moest worden, wilde men niet dat er te veel teams uit één stad in de competitie meededen. Genua was met drie teams vertegenwoordigd, namelijk Genua, Andrea Doria en Sampierdarenese. Die laatste twee werden gedwongen tot een fusie en vormden de nieuwe club La Dominante. Na vele omzwervingen en fusies in en om de kuststad werd dit in 1946 het huidige Sampdoria. 

Zo werden er meer teams gecreëerd om een echte stammenstrijd tussen steden op gang te brengen en zo in de plaatsen zelf de sociale rust te bewaren. Zo ontstond onder andere ACF Fiorentina in 1926, doordat de Zwarthemden met lichte dwang Fiorentina Libertas en Club Sportivo Florenze tot een fusie dwongen en twee jaar later kwam ook AS Bari voort uit een gedwongen samensmelting.

Zelfs HNK Rijeka, in 2014 nog tegenstander van Feyenoord in de Europa League, heeft zijn bestaan voor een groot gedeelte te danken aan de ijver van Mussolini’s sportbestuurders. Rijeka (Fiume in het Italiaans) was een stadstaat die in 1924 werd geannexeerd door de laarsbewoners na het Verdrag van Rome. Om eenheid te kweken, werden ook de voetbalclubs uit deze stad tot een eenwording verplicht en maakten ze vervolgens deel uit van het Italiaanse voetballandschap onder de naam US Fiumana. Deze club werd in 1946 opgeheven en uit haar as verrees HNK Rijeka.

Daarmee waren de Zwarthemden er nog niet. Ook de uitwassen van vreemde talen of verwijzingen naar vijandelijke groeperingen moesten verdwijnen. Napoli was in 1926 ook ontstaan als fusieclub, maar niet door dwang vanuit de voetbalbond en het regime. De Joodse textielbaron Ascarelli was de grote initiator van de fusie waaruit de  huidige bespeler van San Paolo ontstond. De club kreeg in eerste instantie de naam Internapels mee, maar onder dwang van de Zwarthemden moesten ze de naam wijzigen in Napoli. Dit omdat ‘internationale’ deed denken aan de vijandige communisten en Napels de Engelse naam voor de stad was en dit niet strookte met de nationalistische opvatting over één volk, één taal.

Ascarelli werd de nieuwe voorzitter en creëerde het fundament voor een geduchte subtopper. Hij liet een stadion bouwen dat zijn deuren opende op 16 februari 1930. Zeventien dagen later blies de oervader van Napoli zijn laatste adem uit. Terstond hernoemden de plaatselijke tifosi het stadion naar de roemruchte leidsman. Tijdens het wereldkampioenschap van 1934 was het onderkomen zelfs het decor van de troostfinale. Wel onder de naam Stadio Partenopeo, een gebouw genoemd naar een Jood vonden de mannen in de Zwarthemden maar niets.

In 1930 werd dit stadion geopend als Stadio Vesuvio (naar de vulkaan Vesuvius), na de dood van Ascarelli werd de thuishaven van Napoli naar hem genoemd. Tijdens geallieerde bombardementen in 1942 raakte het voetbalbolwerk ernstig beschadigd, wat ook meteen het einde betekende.

 De joodse Árpád Weisz was coach van  Ambrosiana en Bologna waarmee hij drie landstitels won. Nadat het antisemitisme toenam vluchtte hij met zijn gezin naar Dordrecht, waar hij coach werd van D.F.C. Hij overleed in 1944 te Auschwitz.

 

De discipline van het tegengaan van uitwassen van vijandelijke regimes was natuurlijk ook van toepassing op Internazionale. De club uit Milaan werd in 1928 gedwongen om te fuseren met US Milanese tot Ambrosiana. De club werd genoemd naar patroonheilige Ambrosius. De gedwongen band met de stad ging zelfs zo ver dat het  karakteristieke nerazzurri werd ingeruild voor een wit shirt met rood kruis: het symbool van Milaan. In 1932, na vele verzoeken van het bestuur en de fans van het oude Inter, streek bondsvoorzitter Arpitani over zijn hart. Achter Ambrosiana mocht vanaf 1932 het woord Inter worden gezet.

De definitieve omsmelting van het Italiaanse voetbal naar fascistisch denkbeeld kwam in het seizoen 1929-1930. Toen werd de Serie A zoals wij hem nu kennen gevormd. Dat dit niet meteen gebeurde na de bijeenkomst in Viareggio had naast de zwakte van de zuidelijke teams ook te maken met het feit dat kleinere clubs altijd veel macht hadden in De Laars. Op één niveau, waar alleen de topteams zouden zijn vertegenwoordigd, zouden ze al snel wegvallen naar een lager niveau. Op zo’n niveau was de ruchtbaarheid veel minder, de recette laag en bleven de reiskosten, omdat men toch kriskras door Italië moest spelen, hoog.

Bondsvoorzitter Arpinati regeerde met ijzeren vuist en vanaf 1929 zou er één landelijke competitie zijn met zestien teams. De Napolitaan Ascarelli kon hem nog overtuigen om er achttien van te maken, zodat ook zíjn team er vanaf de start bij kon zijn. Zo kon op 6 oktober 1929 de eerste Serie A van start gaan. Ambrosiana werd een paar maanden later kampioen met Weisz als coach en Giuseppe Meazza als topscorer. Mussolini had er definitief voor gezorgd dat voetbal onderdeel was van zijn politieke spel en Torino en Bologna hadden er bewust dan wel onbewust een bijdrage aan geleverd.

*Over de zaak Allemandi doen zich meerdere verhalen voor. Dit is het verhaal wat volgens de overlevering en verschillende bronnenonderzoeken het dichtst bij de werkelijkheid ligt. 

Hoofdafbeelding van links naar rechts: Giovanni Mauro, Itali Foschi, Benito Mussolini en Leandro Arpinati.

Alle afbeeldingen zijn afkomstig van Wikipedia.