Staantribune besteedt de komende tijd, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs,  veel aandacht aan de clubs die (recent) zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.
Vandaag een interview met ex-international Arthur Numan, die zijn voetbalcarrière begon bij HFC Haarlem.

Hoe kijk je terug op je tijd bij Haarlem?
“Een leuke tijd! Ik was veertien toen scout Henk van Dorp vroeg of ik bij Haarlem wilde komen voetballen. Ik speelde op dat moment bij SV Beverwijk in de jeugd en wilde natuurlijk dolgraag naar Haarlem. Alleen was er één probleempje: mijn vader vond me daar op veertienjarige leeftijd nog te jong voor. Ik was teleurgesteld, maar wist dat als ik goed zou blijven spelen, Haarlem terug zou komen. Een jaar later kwam Henk van Dorp tot mijn verbazing samen met Hans van Doorneveld, de trainer van het eerste elftal, bij ons thuis langs. Dat zegt natuurlijk wel iets over hoe ze het in mij zagen zitten. Gelukkig ging mijn vader toen wel overstag, maar hij zei wel duidelijk tegen mij dat als ik bij Haarlem wilde voetballen, ik er ook zelf heen moest gaan. De bus vertrok bij ons op de hoek van de straat en dertig minuten later stond ik aan de Jan Gijzenkade.”

Hoe verging het je in de jeugdopleiding?
“Ik heb een aantal jaar in de jeugd gespeeld en mocht in het seizoen 1987-1988 mijn debuut maken in het eerste elftal. Het was de eerste grote stap in mijn carrière. Toen ik bij de junioren van Haarlem begon, kreeg ik betere spelers om me heen, waardoor ik zelf ook steeds beter begon te voetballen. We kwamen teams van Ajax, PSV en Feyenoord tegen. Zo speelden we in de A-jeugd aan het einde van de competitie met Haarlem A1 uit tegen Ajax A1. We stonden bovenaan, met hetzelfde puntenaantal als Ajax. Ik vergeet nooit meer dat we een penalty kregen toen het 1-1 stond. Ik miste en we verloren de wedstrijd met 2-1, waardoor Ajax twee weken later kampioen werd. Tijdens de thuiswedstrijd eerder dat seizoen speelden we in het stadion van Haarlem. Er zaten bijna drieduizend toeschouwers op de tribune. Het jeugdvoetbal leefde echt toen.”

Je debuteerde dus in 1987-1988. Hoe verliep dat seizoen verder?
“Ik begon steeds beter te wennen aan het niveau. We hadden een goede ploeg met spelers als Raymond Atteveld, Marcel Peper en keeper Edward Metgod. Volgens mij stonden we op een gegeven moment zelfs vierde in de eredivisie, erg knap voor een club als Haarlem. We werden uiteindelijk tiende, een prima prestatie, zeker gezien het feit dat onze ploeg voornamelijk bestond uit semiprofs. Overdag werkten de meeste spelers en aan het einde van de middag stonden we op het trainingsveld.”

Is er een specifieke wedstrijd uit je periode bij Haarlem die je je tot op de dag van vandaag kan herinneren?
“Dat is een doordeweekse wedstrijd tegen PSV. Het was een koude en regenachtige avond en we wonnen met 2-0. Søren Lerby speelde bij PSV en het was ook in de periode dat Romário furore maakte in Eindhoven. Volgens mij speelde hij tegen ons pas zijn vierde of vijfde wedstrijd voor PSV.”

Wat waren de dieptepunten uit jouw periode bij Haarlem?
“In 1989-1990 degradeerden we helaas uit de eredivisie. Ik had mijn contract net daarvoor met drie jaar verlengd, omdat Haarlem mij als een groot talent zag. Toen we degradeerden, kwam bij mij het besef dat een jaar eerste divisie mijn ontwikkeling geen goed zou doen. Desondanks richtte ik me op Haarlem, omdat ik wist dat er interesse van andere clubs zou komen als ik goed zou blijven spelen. In mijn contract had ik een clausule opgenomen, waarin stond dat ik voor 750.000 gulden kon worden verkocht aan een andere club. Het duurde twee maanden voordat Haarlem instemde met die clausule. Willem II en FC Utrecht waren na een half jaar geïnteresseerd, maar die wilden een bedrag plus een speler bieden, omdat ze 750.000 gulden te veel vonden. Daarmee ging Haarlem niet akkoord.

In december 1991 werd ik gebeld door Theo Vonk, destijds de trainer van FC Twente. Hij belde op onze huistelefoon en mijn moeder nam op. Toen ze me riep met de mededeling dat ze de coach van FC Twente aan de telefoon had, geloofde ik haar eerst niet. Twente leek me een goede stap in mijn carrière. Vonk gaf aan dat ze er aan het eind van het seizoen misschien wel werk van zouden maken. Twee dagen na het telefoongesprek tekende ik mijn contract in Enschede. Het ging opeens in sneltreinvaart, omdat de Tukkers wel 750.000 gulden wilden betalen.”

Wat deed het faillissement van Haarlem met je?
“Het raakte me. Het is toch de club waar je bent begonnen en ik heb er altijd warme herinneringen aan gehouden. Vanaf de eerste dag, toen ik er met de bus heen ging, tot aan de dag dat ik vertrok naar FC Twente. Helaas was de situatie financieel niet meer houdbaar. Zonde.”

Wil je oude tijden herbeleven? Kom dan naar de Dag van de Verdwenen Clubs op zaterdag 25 november. Abonnees van Staantribune hebben gratis toegang (wel aanmelden via info@staantribune.nl!), tickets voor niet-leden zijn te koop in de webshop.