De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: David Endt (Eurosport).

Bestemming bereikt. Stazione Porta Nuova. Na een paar intensieve dagen vol indrukken en slaaptekort hadden Harry en ik de treinreis van Milaan naar Turijn doezelend in de coupé doorgebracht, maar nu moesten we in actie komen. De eerste gebiedende wijs van de dag was: hotel zoeken!

Dat was niet zo simpel. Het was siësta-tijd en door de verzengende midzomerhitte lag het centrum van Turijn er als verlamd bij. Mooi was de stad wel. Op het eerste gezicht mooier dan het robuustere Milaan. De gebouwen oogden vriendelijker en de frivole arcades gaven de stad een elegante allure. In de vitrines van de galerijen zagen we bovendien meer signalen van voetbal dan in Milaan het geval was, een belangrijk pluspunt. Tussen glaswerk, horloges en zijden sokken schitterde onvermijdelijke het diepdonkerrood van Torino, maar vooral het zwart-wit van Juventus. De Oude Dame beleefde in 1973 hoogtijdagen en was het doel van onze reis.

Over een paar dagen zouden Juventus en Inter elkaar hier, in Turijn, een finaleplaats in de Coppa Italia betwisten. Zaterdagavond, net met de nachttrein aangekomen uit Amsterdam, hadden we, in een stil en duister San Siro, Inter met 1-0 van het armetierige Reggiana zien winnen. Doelpunt Facchetti. Zijn snijdende vrije trap, al vroeg in de eerste helft, was voldoende om Inter in voordelige positie de laatste groepswedstrijd tegen Juve te laten beginnen. Een gelijkspel zou voldoende zijn voor de finale.

Na de goal was er weinig aan. Alleen de rechtsachter van Reggiana zorgde voor een vonkje flair door de bal met de onderkant van de voet elegant naar de middenlijn te drijven.

Het werkelijke hoogtepunt van de avond was het betreden van stadio San Siro, Italië’s onbetwiste voetbaltempel. Al heel vroeg aanwezig beklommen we de spiraalvormige opgangen van de blank-betonnen rots. De avondzon wierp lange, scherpe schaduwen over de smetteloze grasmat. Donker spelonkten de tribunes onder de eerste ring. Ah, San Siro, wat hier allemaal had plaatsgevonden. Dit was het voetbal-Scala van Europa waar talloze voetbalmeesters hadden opgetreden, waar zich bloedstollende veldslagen hadden afgespeeld, waar superploegen voor uitzinnig voetbalvolk hadden opgetreden. In dit San Siro hadden de priemende ogen van Helenio Herrera gefonkeld, had Rivera met een achteloos geniale streek van zijn voet Sormani vrij voor het doel gebracht, was Mazzola langs drie-vier verdedigers geslalomd, hadden Armando Picchi en Cesare Maldini hun defensies geordend. Eens had hier Faas Wilkes gespeeld en Nils Liedholm en Juan Alberto Schiaffino en…. Zoveel emoties en herinneringen koesterden de schaduwen. Klein en ontdaan lieten we ons overweldigen door de indrukken van San Siro.

Na afloop van het matig potje voetbal durfden we het niet goed uit te spreken, maar onze eerste kennismaking, met zoveel verwachting tegemoetgezien en voortdurend onderwerp van onze gesprekken tijdens nachtelijke reis, was tegengevallen. De gehoopte grote, door een massaal publiek gedragen emoties en briljante momenten bleven uit.

De verborgen deceptie over ‘onze doop’ werd de volgende dag volledig overspoeld en weggespoeld door de voorbeschouwingen op de beslissende wedstrijd: Juventus – Inter. De Gazzetta, Tuttosport, Corriere dello Sport/Stadio, alle landelijke dagbladen, adverteerden breedvoerig met de ‘Derby van Italië, dé ontmoeting tussen de traditioneel beste clubs van het land.

Al was het maar om de beker, het duel sprak enorm tot de verbeelding. De bijna theatraal opgeklopte spanning miste haar uitwerking niet. Nu Juve – Inter beslissend zou zijn voor het bereiken van de bekerfinale, bejegenden Harry en ik elkaar met groeiende vijandigheid. Logisch. Harry dweepte met Juventus, hij kon in overdrevenheid alles wat zwart-wit was adoreren. Mijn gezwollen jongenshart droeg al vanaf mijn achtste levensjaar een zwart-blauw shirt. De stellingen werden ingenomen, namen soms in hevigheid af en dan weer toe. De oorlog nóg niet verklaard.

Buiten het plakkerige centrum van Turijn, niet ver van waar het Stadio Comunale van Juventus moest liggen, vonden we een schoon en toch betaalbaar hotel. De volgende ochtend trok het stadion ons als een magneet naar zich toe. We kwamen net op tijd aan om de spelers van Juventus de brede Via Fildelfia te zien oversteken, net klaar met de training en naar de kleedkamer in het stadion. Plotseling waren de Italiaanse profs binnen handbereik. Daar stapte de lange, slanke Morini voorbij, de piekende blonde haren geplakt tegen de slapen. Daar liep de spichtige Marchetti, Capello met zijn hoge rug en zijn diepliggende ogen. Franco Causio, Dino Zoff, Roberto Bettega, Altafini, Longobucco. Zacht en trots op onze kennis noemden we hun namen: we kenden ze allemaal.

En daar kwam, met achterstand op de anderen en omstuwd door jongens en meisjes, Pietro Anastasi. Kleiner dan vermoed, maar met de vrolijk verende tred van de echte vedette. Genietend van zijn populariteit, genietend van het besef een uitverkorene te zijn liet hij, ondertussen signerend, zijn stralende lach door het groepje gaan. Een kinderlijk geluk glansde in de donkere ogen. Geduldig poseerde hij voor wéér een foto met zijn tifosi.

We wachtten een halfuurtje en daar verschenen de voetballers weer, nu omgekleed, op weg naar hun auto’s. Het tafereel van handtekeningen vragen en fotomomenten herhaalde zich. Ook met ons ging Anastasi gewillig op de foto.

Dit was ‘m dan: Pietro Anastasi, het grote idool van Juventus, voorbij de clubaffectie ook de lieveling van het Italiaanse voetbalpubliek. Ja, dit was ‘m dan: Petruzzu ‘u Turcu, Een bijnaam die hij als jong spelertje in Sicilië al had gekregen vanwege zijn donkere huidstint en die later een extra lading zou krijgen na een wonderbaarlijke goal voor Italië tegen Turkije. Petruzzo ‘u Turco, Siciliaans voor Pietertje de Turk.

Pietro Anastasi. Die naam alleen al stond garant voor opwinding en sensatie. Een voetballer om in je hart te sluiten, om voor op je knieën te vallen, om je stembanden voor stuk te schreeuwen. Anastasi gold in Italië als een fenomeen en wás dat ook, juist omdat hij in niets een berekende voetballer was, maar een natuurtalent, louter gestuwd door impuls, intuïtie, gevoel. Met Anastasi aan de bal kwam de fantasie aan de macht.

Op deze voetbalreis met Harry was Anastasi mijn tegenstander, hij was namelijk de midvoor van Juventus, maar ik kon mijn bewondering onmogelijk overboord gooien op grond van rivaliteit.

Van Anastasi kende ik zijn hele geschiedenis. Hoe hij als jochie uit een arm gezin in het bloedhete, gortdroge Sicilië op de kale veldjes voetbalde, opviel, door Serie D-club Massiminiana werd ingelijfd. Toeval speelde een grote rol bij de werkelijke ontdekking van Petruzzo, zo las ik in een stoffig boekje. Het had alles te maken met een degradatiewedstrijd die Varese moest spelen op Sicilië, tegen Catania. Varese verloor met 3-0, de stemming was drukkend negatief en misschien was het daarom dat de manager van Varese, Alfredo Casati, het niet zo erg vond om zijn zitplaats op de terugvlucht af te staan aan een jonge zwangere vrouw. Hij bleef nog een dag in Sicilië. Omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan, bezocht Casati een wedstrijdje in Serie D. Er was verrassend veel publiek afgekomen op Massiminano – Paternó, meer nog dan een dag eerder bij Catania – Varese. “We komen voor Petruzzu ‘u Turco was de uitleg en anderhalf uur na de aftrap wist Casati wat die verklaring inhield. Hij zag Anastasi gloriëren, voetballend vanuit zijn natuur, zijn instinct. Grillig en onberekenbaar, maar op deze dag in voortreffelijke doen. De jonge duivelskunstenaar speelde Paternó aan diggelen.

Casati aarzelde geen moment. Meteen na de wedstrijd kwam de transfer rond en zo belandde Anastasi van zijn Siciliaanse geboortegrond in het noordelijke Varese. In het seizoen 1966-1967 debuteerde Petruzzu bij zijn nieuwe club en mede dankzij zijn hartveroverende spel promoveerde Varese naar Serie A, waar Anastasi opnieuw furore maakte. De zevende plaats op het hoogste niveau is nog tot op de dag van vandaag de beste prestatie in de historie van Varese. Pietro Anastasi was de sensationele ontdekking van de Serie A.

Natuurlijk was Anastasi voor Varese niet te behouden, ook Casati wist dat, maar hij wist ook dat de club erg veel geld zou gaan incasseren voor zijn ontdekking. Tijdens het seizoen had Varese een onwaarschijnlijke 5-0 overwinning behaald op het grote Juventus. Toevallig was dat favoriete club van Anastasi en zoals dat wel eens gaat, zorgde de confrontatie met zijn liefde voor een enorme bevlogenheid en inspiratie. Hij dartelde er op los, passeerde tegenstanders alsof het zoutpilaren waren en scoorde er drie in de 5-0 overwinning die vriend en vijand met ongeloof sloeg. Op de schouders van de Varese-supporters werd Petruzzu in triomf van het veld gedragen.

Toch was het niet Juventus, maar Inter dat de beste kans kreeg de wonderjongen binnen te halen. Na in de zomer met Inter mee te hebben gedaan in een vriendschappelijke wedstrijd tegen Roma, leek de zaak beklonken, maar de macht van de Oude Dame reikte, naar beproefd recept, ver. Of beter: het was FIAT dat ingreep, door een deal te maken met Guido Borghi, de president van Varese én eigenaar van de Ignis-fabrieken in Varese. Pietro verhuisde naar Turijn voor het toen duizelingwekkende bedrag van vier miljoen gulden, deels betaald in natura (vrachtwagens van FIAT).

Ook als Juventino etaleerde Anastasi zijn bruisende klasse en ook in Turijn werd hij door de tifosi al snel op handen gedragen. Het was een prachtig en typisch Italiaans succesverhaal. Hoe zou ik moeten kunnen ontsnappen aan de fascinatie voor een voetballer van dergelijk kaliber en waaraan bovendien zoveel schitterende, alleen in Italië mogelijke en op fabels lijkende verhalen waren verbonden?

Dat kon ik niet, maar op de wedstrijddag van Juventus – Inter in het Comunale van Turijn moest ik Inter, mijn meest oorspronkelijke liefde, voorrang verlenen.

Uit voorzorg hadden Harry en ik op veilige afstand van elkaar op de Curva Filadelfia post gevat. Hij op de eerste ring, ik een etage hoger. De curva was het fort van de Juventus-supporters. De kaarten hadden we de avond ervoor bij een bezoek aan de Juventus Club ‘Böga’ voor niets gekregen: gasten uit Nederland, uit Amsterdam. Die werden gefêteerd, ook al was die ene voor Inter.

Juve – Inter werd een wedstrijd vol van de gedroomde en bij Inter – Reggiana volkomen ontbrekende romantiek en dramatiek. Een wedstrijd met emoties die alleen in Italië zo hoog kunnen oplopen, op het ideale middaguur(16.00), onder een helblauwe lucht en in een broeierige warmte. De beleving van de supporters, de spanning om het resultaat en de soms subtiele dan weer grove of gewiekste staaltjes van calcio wierpen het daarin ongetrainde hart op golven van emotie, dan weer torenhoog, dan weer meters diep. Dit ging veel verder dan voetbal, dit was passie, ik werd gedrenkt in het diepste, het zoetste, het bitterste, het hoogste voetbalgevoel.

Voor Inter en dus voor mij was een gelijkspel voldoende om de finale te bereiken. Na een half uur spelen scoorde Franco Causio en bracht daarmee mijn droom uit balans, maar Mazzola maakte gelijk: 1-1, niets aan het handje. En vlak voor rust zat Inter helemaal op rozen door een goals van Boninsegna. “Boni-Boni-Boni… segna-segna-segna,” waagde ik in mijn overmoed te schreeuwen. Ik was de enige Interista op de tribune, ze hadden mij over de rand van de eerste ring kunnen kieperen, maar mijn stemmetje viel in het niet in de woedebrul om de tegengoal.

2-1 voor, wat kon ons gebeuren? Minachtend blikte ik omlaag waar ik de trieste ogen van Harry vond. Het deed mij goed mijn vriend gekwetst te zien. In de supportersroes komen er vreemde en soms wrede emoties uit de spelonken van je ziel los. “Ah, jij met je Juve, laat me niet lachen!” De oorlog was verklaard.

De straf voor mijn duivelse geweten kreeg een naam: Pietro Anastasi, al duurde het tot twintig minuten voor tijd eer die straf als een executie werd uitgevoerd: een ongevaarlijk schot van Longobucco ritselde langs de handschoenen van onze keeper, Vieri, 2-2. Op zich geen probleem, Inter kon verdedigen als geen ander, maar het werd wel spannender.

Tien minuten gingen voorbij en toen: een bliksemschicht bij klaarlichte dag. Anastasi. Opeens was hij er. Het was alsof magie de kleine aanvaller in haar macht had gekregen, had gevuld met inspiratie. Anastasi werd Petruzzu ‘u Turco, één met de bal, hij voetbalde als in een roes, er kwam geen denkwerk aan te pas, geen tactisch inzicht, geen aanwijzing van een trainer, alleen maar instinct. Als een waterval stroomde hij door de verdediging van Inter. Gelukkig was er nog een paal, lat of een desperaat uitgestoken been dat een doelpunt voorkwam. Tot drie minuten voor tijd. Niets en niemand kon Anastasi stuiten in zijn rooftocht naar het doel. Blauw-zwart, tuimelde, brak, scheurde en gaf op: Pietro Anastasi scoorde, 3-2 voor Juventus. Een hels gebrul bracht mij aan het wankelen, het werd zwart voor mijn ogen.

Beneden juichte Harry en betaalde mijn venijn naar hem met gelijke munt terug. Niet te verstane, maar evengoed niet mis te verstane teksten, handgebaren,. Dat juichen van Harry, die lach! Golvende zwart-witte vlaggen rondom hem, en ook rondom mij. De reële zinsbegoocheling was nog niet afgelopen, er was meer, meer van het slechte en verwondende, maar tegelijkertijd ook meer van het onaantastbaar schone, magistrale en wonderlijke. Anastasi aan de bal, de rug een beetje gekromd, zo prachtig toch sloot het Juventus-shirt om zijn donkere lijf, mijn hart kon het niet ontkennen. Waar haalde hij de kracht vandaan, hoe bewaarde hij zijn balans? Balletje door de benen van Facchetti, Burgnich werd soepel ontweken. Nog een slingering uit de heupen en voorbij Bellugi. Daar viel Vieri tastend in het niets opzij. Bestemming bereikt. Bal tegen de touwen, 4-2.

Het wonder was geschied en heette Pietro Anastasi.

David Endt