In het Staantribune Museum wordt elke week iets ‘bijgezet’. Heb jij een bijzonder item met een leuk verhaal erbij? Stuur dan een mail mét foto van het voorwerp naar info@staantribune.nlDeze week: een stukje karton met handtekeningen van PSV-spelers (1988) van Staantribune-volger Joost van Gisbergen.

Ik zal een jaar of zeven, acht zijn geweest toen ik op het schoolplein aangesproken werd door drie grote jongens uit een hogere klas. Een van hen pakte me bij mijn kraag.“Voor wie ben je, voor Ajax of voor PSV?” vroeg hij op een agressieve toon. Het was duidelijk dat ik een probleem had als ik het verkeerde antwoord gaf.

“Nu zeggen, voor wie ben je?” Ik wist het echt niet. Ik zat zelf op voetbal, ik zag thuis op televisie wel eens een flard van een wedstrijd voorbijkomen als mijn vader zat te kijken, maar het voetbal echt volgen deed ik nog helemaal niet. Ik stond met een bek vol melktanden en hoopte die niet ter plekke kwijt te raken.

“Laat maar, hij weet het gewoon niet”, hoorde ik een van de jongens zeggen. Tot mijn opluchting liet zijn vriend me los en liepen ze weg.

Ik moest maar eens een favoriete club kiezen, vond ik daarna. Het criterium dat ik hanteerde was eenvoudig. Uiteraard had ik al besloten dat ik later zelf profvoetballer zou worden. En dan natuurlijk het liefst zo dicht mogelijk bij huis, dat leek me wel zo praktisch. Aangezien ik een heel stuk dichter bij Eindhoven woonde dan bij Amsterdam of Rotterdam was het duidelijk: zodra al die grote clubs zich voor me zouden komen melden, zou ik voor PSV gaan kiezen. En tot die tijd werd ik maar vast supporter.

Dat mocht ik op 19 maart 1988 – ik was toen negen jaar oud – voor de eerste keer in de praktijk gaan brengen. Reusel Sport, de vereniging waarbij ik in de E4 speelde, was club van de maand bij PSV. Dat betekende dat we met een selectie junioren naar de thuiswedstrijd tegen Willem II mochten. Met topspelers als Hans van Breukelen, Eric Gerets, Ronald Koeman, Gerald Vanenburg en Wim Kieft in de basis, werd het 3-1. De goals kwamen van Vanenburg, Janssen en Heintze voor PSV en Mallien voor Willem II.

Ik viel met mijn neus in de boter, want dat seizoen zou met afstand het meest succesvolle uit de clubgeschiedenis worden. ‘We’ werden met overmacht landskampioen (met een idioot doelsaldo: 117-28), wonnen de KNVB Beker en sleepten zelfs de Europa Cup I binnen. Een kleine maand nadat PSV gekroond werd tot beste club van Europa, won bovendien het Nederlands Elftal het Europees kampioenschap met vier PSV’ers in de basisopstelling. Maar het echte hoogtepunt moest toen nog komen. Voor mij, althans.

Het was bijna niet te geloven, het is een scenario waar jongens anno 2018 alleen nog maar van kunnen dromen, maar op 9 augustus 1988 kwam de beste club van Europa uitgerekend naar het achtduizend inwoners tellende dorpje waar ik woonde. PSV kwam ter voorbereiding op het nieuwe seizoen een oefenpotje spelen tegen de plaatselijke vierdeklasser. Ineens liepen wereldberoemde spelers die de voetbalzomer van 1988 legendarisch hadden gemaakt zomaar in het wild rond, op het mooie, door groen omgeven sportpark Den Hoek in Reusel, waarop ik als volstrekt talentloos jeugdspelertje zelf wekelijks mijn wedstrijdjes afwerkte.

Ronald Koeman, die vanaf de penaltystip de gelijkmaker tegen West-Duitsland had gemaakt in de halve finale van het EK, stond cool en relaxed met een grote zonnebril op zijn hoofd en flink wat gel in zijn stekeltjeshaar handtekeningen uit te delen voor de kantine. Hans van Breukelen, die cruciale penalty’s had gestopt in beide Europese finales, had zijn handen vol aan zijn sporttas en kopje koffie en vroeg aan mijn moeder of ze de foto’s in het zijvakje van zijn tas (waarop hij in keeperstenue poseerde voor een rode auto van sponsor Opel) wilde uitdelen. Gerald Vanenburg, ook basisspeler op het EK, was niet te bereiken omdat hij werd belaagd door verliefde tienermeisjes. Wim Kieft, de maker van de kopgoal tegen Ierland waardoor Nederland met enige mazzel de eerste ronde van het EK had overleefd, liep de handtekeningenjagers met een norse blik voorbij. “Geen tijd.”

Ik zag de spelers die zo’n grote rol speelden in die historische voetbalzomer van 1988 in het echt voorbijlopen, met hun sporttassen. Iets meer dan een kilometer van ons huis, over het kinderkopjesweggetje waarover ik zelf ook liep als ik op vrijdagavond ging trainen of op zaterdagochtend ging voetballen. Dat er die dag ook nog een wedstrijd volgde (waarin Reusel Sport de nederlaag wist te beperken tot een respectabele 1-6, na een 1-2 ruststand) was bijzaak. Het mocht duidelijk zijn: PSV was nu definitief mijn club geworden. Net zo overtuigend als het enige maanden eerder landskampioen was geworden.

Op het stukje karton dat ik van thuis mee had genomen, en vooraf al had voorzien van een pentekening van een voetballer in PSV-shirt, wist ik een paar handtekeningen te bemachtigen. Van Berry van Aerle, Ronald Koeman, Eric Gerets en Adick Koot op de voorkant en van Patrick Lodewijks en Roberto Lanckohr op de achterkant.

Ik heb het kartonnetje altijd bewaard. Eerst jarenlang als een relikwie hangend boven mijn bed, tegenwoordig veilig opgeborgen in een doos op zolder. Het is mijn tastbare aandenken aan die keer dat de beste club van Europa op bezoek kwam.

Meer over PSV in 1988 in Staantribune #16!