Van donderdag 4 tot en met zondag 7 oktober organiseert Staantribune de tentoonstelling Shirts of Cult, more than just a football shirt. In aanloop naar dit evenement plaatsen wij odes aan bijzondere tenues. Vandaag de beurt aan schrijver Matthijs van Asselt.

Voor sommigen is het een thuis, voor een flink aantal mag het geen thuis zijn. Italië betekent veel voor mensen. Vraag hem naar Italië en de man op straat zegt: pizza, wijn en handgebaren. Als hij een liefhebber is, zegt hij: Baggio, Maldini, Del Piero. Of Mazzola, Facchetti, Serena als die man toevallig David Endt heet.

De voetbalman op straat mompelt op weg naar huis nog wat namen van klassieke schoonheid voor zich uit, als was hij Joop Buyt. Casiraghi. Sensini. Ventola. Oh, Italia.

Voor mij was Italië rond de eeuwwisseling vooral het land van de namaakshirts. Ik was Totti en ik was Davids, dankzij mijn beste vriendje. Hij nam een Roma- en een Juventus-shirt voor me mee, zo nep dat je niet eens hoefde te doen alsof. De rode cijfers en belettering op het shirt van de Oude Dame bleken wel te kloppen.

Na lang zeuren bij mijn ouders gingen we een jaar later zelf die kant op en mijn herinneringen zijn echt. Ik zie mezelf lopen over een plein, misschien wel het Palazzo della Signoria, terwijl ik alleen aandacht had voor de kraampjes met Batistuta-shirts. Ik won op de camping waar mijn officiële EK2000-bal werd gejat een tafeltennistoernooi met Figo achterop mijn neppe Real Madridtenue.

Ik herinner me dat ik een (echt) Italië-shirt aan had op de uitreiking van het middelbare schooldiploma van mijn broer, vlak na de verloren halve finale op het EK 2000. Nepemoties. Het was hetzelfde shirt dat het karakter Marco Vialli destijds in een aflevering van de soapserie Heartbreak High droeg (bewijs). Marco Vialli, hoe kom je erop?

In de berging van mijn appartement staat een tas met de voetbalshirts van mijn jeugd en ik denk aan het gehavende blauwe Chelsea-shirt, nummer 25, Zola. Een echte, voor mijn verjaardag gekregen van mijn oma. Ik had het een zomer aan toen ik met eerdergenoemde vriend en zijn familie mee naar Otterlo mocht, op een camping met een gevaarlijke glijbaan waar je niet meer met blote kont vanaf mocht omdat er iemand uit de bocht was gevlogen.

Fietsen op een grindpad mocht nog wel gewoon en we gingen hard, ik viel een buil op mijn oog en erger nog: een gat in mijn shirt. Het is dichtgenaaid, maar je ziet het nog steeds.

Inmiddels ga ik, hier in 2018, niet meer naar Italië alleen vanwege het rijke aanbod aan zeer eenvoudig van echt te onderscheiden voetbalshirts. Ik zou niet eens meer weten of dat aanbod er nog steeds is, we leven immers in tijden waarin de FIFA simpele straatverkopers met onofficiële petjes met ‘World Cup’ of ‘Russia 18’ op hun kleedjes keihard aanpakt. Over nep gesproken.

Matthijs van Asselt