Van donderdag 4 tot en met zondag 7 oktober organiseert Staantribune de tentoonstelling Shirts of Cult, more than just a football shirt. In aanloop naar dit evenement plaatsen wij odes aan bijzondere tenues. Vandaag: Staantribune-redacteur Eric de Jager over het shirt van Akçaabat Sebatspor.

Ik heb geen uitgebreide shirtcollectie. Een handvol shirts van Tottenham Hotspur, dat ik tussen 1983 en 1995 minstens een keer per seizoen bezocht. Een prachtige nepper van Olimpia Tegucigalpa, voorzien van rugnummers van de Chicago Bulls. En een shirt van Akçaabat Sebatspor, de tweede club van Trabzon. Gekregen na afloop van de wedstrijd Sebatspor- Fenerbahçe, die ik bezocht in 2003.

In Trabzon hebben ze een hartgrondige hekel aan alles wat uit Istanbul komt. En dus ook aan Fener. De afkeer zit zo diep, dat bij de wedstrijd van Sebatspor, de tweede club van Trabzon, driekwart van de thuissupporters het rood-blauw van Trabzonspor draagt. Die komen de kleine broer graag even helpen. De wedstrijd wordt ook gespeeld in het stadion van Trabzonspor.

In Istanbul weten ze hoe laat het is. Wie afreist naar Trabzon, gaat niet voor het voetbal. De kans dat het op vechten aankomt aan de boorden van de Zwarte Zee benadert de 100 procent akelig dicht. Als onderweg een van de vele bussen vol blauw-gelen door de politie wordt uitgekamd, komt er een arsenaal voorbij dat uit de rekwisietenloods van Braveheart gestolen lijkt. Een agent houdt op televisie met lichte trots de hoofdprijs omhoog: een machete. De politie houdt een paar bussen even vast langs de snelweg, maar laat de rest van de karavaan nagenoeg ongemoeid. Ook onder de agenten woedt de stedenstrijd kennelijk: bij de ene bus wint Trabzon, bij de andere Istanbul.

Ik gebruik de wedstrijddag voor een toeristisch ritje naar het Sumela-klooster in de bergen. Overal kom ik vriendelijke, behulpzame mensen tegen. Ik vraag me af hoe mijn voetballende vriend, die dit seizoen de kleuren van Akçaabat verdedigt, erbij komt dat de inwoners van Trabzon en omgeving tot de grootste heethoofden van Turkije gerekend mogen worden. Een Afrikaanse ploeggenoot had er moeilijk bij gekeken en gezegd dat Trabzon in de landelijke statistieken met steekincidenten koploper was. Hij geloofde het meteen. Ik niet. Het voor de winter gesloten natuurpark rond Sumela wordt glimlachend geopend door een parkwachter. Net als het klooster. Entree hoef ik niet te betalen, want hoe kun je nu geld vragen voor iets dat gesloten is? Op de zwerfhonden na, die proberen mijn banden stuk te bijten terwijl ik met zeker 50 kilometer per uur voorbijraas, wijst niets op een greintje agressie.

In het trainingscomplex van Akçaabat Sebatspor heerst ook rust. Zelfs als mijn wedstrijdkaartje nergens te vinden is. Er wordt meteen in oplossingen gedacht. Het aanvankelijke idee om heel dicht achter de spelersbus aan te rijden en zo het stadion in te glippen, veeg ik van tafel. Ik heb de wegafzettingen en de politiemacht gezien waarmee de de route is beveiligd. Met de ‘Hoe en wat in het Turks’ op schoot in een geleende Opel zie ik mij mezelf niet het stadion inbluffen.

Een geblesseerde Turkse speler heeft het gouden plan: rijd mee ín de spelersbus. Ik stap met de selectie in de bus voor een van de meest beladen wedstrijden van het jaar. Niemand kijkt ervan op. De man naast me spreekt me na een paar minuten in het Turks aan en stapt vanwege mijn vragende blik over op Duits. Wie ik eigenlijk ben? Een vriend van een van de spelers, die geen kaartje voor de wedstrijd heeft, maar mag meerijden met de bus. De man knikt begripvol, stelt zich voor als de hoofdcoach van Sebatspor en wenst me veel plezier.

Zodra de bus de wijk rond het stadion van Trabzonspor inrijdt, staan de straten vol zingende, springende, schreeuwende mensen. Zwaaiend met sjaaltjes van Trabzonspor en Sebatspor. Fakkels kleuren de avondlucht rood. De bus wurmt zich door een zee van fans die allemaal keihard op de zijkant slaan. Horen en zien vergaat me. De Turkse spelers kijken stoïcijns voor zich uit, de buitenlanders kijken naar buiten.

Pas als de bus het stadionterrein opdraait, is het even rustig. De spelers pakken hun tassen en zoeken de kleedkamer op. De geblesseerde speler pakt mijn arm en leidt me door de catacomben naar het ereterras.

Als ik de tribune opstap, komen de voetballers van Fenerbahçe net het veld op voor de warming-up. Het ereterras staat op, begint te fluiten en te schelden. Een bestuurslid smijt zijn waterfles het veld op, hij probeert Pierre van Hooijdonk te raken. Die heeft niet door dat een halve meter achter hem een fles voorbijvliegt. Iedereen om mij heen is boos. Boos op Fenerbahçe, boos op Istanbul. Boos op alles.

Aan de overkant zijn ze ook boos. En daar hebben ze een heel vak vol ‘gasten’ uit Istanbul waarop ze die boosheid kunnen botvieren. Het voorspel slaan ze over, er wordt niet geprovoceerd, gedreigd of aan hekken getrokken. De Fener-fans komen hun vak in, rukken stoelen van de tribune, hakken brokken beton los en beginnen te gooien. Ze krijgen stoelen, beton en vuurpijlen terug.

Als de wedstrijd op het gras begint, is het duel op het beton al een half uur in volle gang. Het hek tussen het uitvak en de thuissupporters staat er alleen voor de sier. De Trabzon-fans gooien alles wat los en vast zit eroverheen en drijven de bezoekers in het nauw. Een deel vlucht de trappen af, maar komt kort daarna weer terug. De politiemacht in het stadion bestaat kennelijk volledig uit Trabzon-aanhangers, want de hooligans van de thuisclub krijgen hulp van de ME. De pauze wordt gebruikt om de hele uittribune leeg te vegen. Het is een herhaling van wat een uur eerder werd geprobeerd door de thuisfans, maar de politie is efficiënter en sneller.

De rust op het veld en de tribune lijkt me een mooie gelegenheid om een kopje thee te halen. Ik sta op en vraag vriendelijk aan de zus van de geblesseerde speler, die naast mij op de tribune dankbaar haar Duits op mij oefende, of ze ook een ‘çai’ wil. En dan breekt de hel voor de derde keer los. De voetballer staat op, grijpt mij bij mijn arm en knijpt er hard in. Zijn ogen spuwen vuur. Met zijn neus bijna tegen die van mij schreeuwt hij dat ik zijn zus met rust moet laten. Dat we niet in Nederland zijn en dat ik me dien te gedragen. Ik wil mij losrukken, maar hij heeft stevig beet. Even twijfel ik: tegenstribbelen betekent dat ook op de eretribune klappen gaan vallen, vermoed ik. Ik besluit de storm te laten woeden en af te wachten. De storm gaat liggen, de speler gaat mompelend zitten en ik haal thee. Een kopje, voor mezelf.

De tweede helft gebruik ik om voor de verandering eens naar voetbal te kijken. Het wordt 1-1, en dat wordt door de fans van het kleine Sebatspor en hun tijdelijke versterking van Trabzonspor als een overwinning gevierd. Ik bied mijn excuses aan aan de zus van de speler en haar vriendin, voor het geval ik ze beledigd heb met mijn aanbod van een kopje thee. De vrouwen schudden het hoofd. “Nee, helemaal niet”, antwoordt de zus. Grinnikend zegt ze: “Maar als je die thee had gehaald, hadden we moeten trouwen. Je moet je niet schuldig voelen, het ligt aan de mannen in Trabzon. Die worden gek als het om vrouwen of voetbal gaat.” Haar vriendin knikt. “Ze zijn gek. Weet je dat Trabzon het hoogste aantal steekpartijen van Turkije heeft?”

In de kalmte van de kleedkamer praten we na met Pierre van Hooijdonk. Mijn vriend ruilt zijn wedstrijdshirt voor een Fenerbahçe-shirt. Hij wil het aan mij geven, maar ik heb als Ajacied weinig belangstelling voor het shirt van Pi-Air. Als alternatief krijg ik het witte, niet-gebruikte tricot van Sebatspor. Na een onrustige avond meldt de politie nul arrestaties.

Eric de Jager