Volgens Carla lag het stadion van Blauw-Wit ergens in het stadje Genk, in de Belgische mijnstreek. Verleden tijd, want de voetbalclub werd in 1988 opgeheven.

Haar grootvader was inderdaad van 1980 tot het einde trainer van ‘de vieze mannen’, vertelde ze. Die geuzennaam had de club te danken aan de mijnwerkers die er in de eerste helft van de vorige eeuw voetbalden en die de gewoonte hadden om rechtstreeks en ongewassen vanuit de mijnen op de training te verschijnen. Dat verhaal had op Carla veel indruk gemaakt. Ze was vanaf haar zesde grootgebracht door haar grootouders omdat haar vader en moeder in België waren omgekomen door een auto-ongeluk. Maar ze was nooit geïnteresseerd geweest in voetbal en herinnerde zich er verder weinig van.


De oude trainer was – nadat Carla zijn broek weer had gefatsoeneerd en hem in zijn stoel had gezet – in slaap gevallen. Ik legde haar uit dat ik sportredacteur was van een krant en geïnteresseerd was in zijn verhaal. Mijn ontslag hield ik voor me, dat leek me niet relevant. Ik voelde dat hier een mooi verhaal inzat dat ik eventueel als freelancer kon verkopen. Carla zei dat ik zeker nog eens terug mocht komen om met hem te praten over Blauw-Wit, maar ze betwijfelde of het veel zou opleveren. Zijn herinneringen waren onsamenhangend en het werd steeds moeilijker om zijn aandacht langere tijd vast te houden.

Eenmaal thuis herinnerde ik me wat Frans Malherbe had gezegd: UEFA Cup, Arsenal. Om vervolgens met zijn trillende wijsvinger de snijbeweging te maken langs zijn hals. Op internet vond ik al snel de bevestiging van wat hij bedoelde. Blauw-Wit drong dankzij een voor deze club uitzonderlijk goed seizoen in de Belgische competitie in 1981 door tot de strijd om de Europese beker. In de eerste ronde werd het Noorse Bryne FK uitgeschakeld en in de tweede ronde moest de mijnwerkersploeg tegen het grote Arsenal. De Engelsen kwamen op 20 oktober naar Genk, waar achttienduizend Belgische supporters zich op de tribune hadden genesteld. Het had dagenlang geregend en het veld was één grote modderpoel. Het was eigenlijk onbespeelbaar, maar de Spaanse scheidsrechter liet de wedstrijd doorgaan. Misschien wilde hij weer snel naar zijn warme land in plaats van nog een paar extra dagen in het herfstige mijnlandschap te verblijven. Ik stelde me zo voor dat hij vanuit zijn hotelkamer uitkeek over zwarte puntige bergen steenafval uit de mijnen, glimmend van de regen. Het maakte hem depressief.

Het slechte veld was een voordeel voor de spelers van Blauw-Wit die technisch minder goed waren dan de Engelsen. Veel afstandsschoten bereikten het doel niet, ze strandden in de plassen die nog op het veld lagen. Leon Makuna scoorde in de zestigste minuut met een kopbal uit een corner voor de vieze mannen. Het was het enige doelpunt die avond.

Twee weken later vond de return plaats in Londen. Het eerdere verlies was volgens de arrogante Engelsen een incidentje en vooral te wijten aan het slechte veld. De spelers deden tijdens de training lacherig over de tegenstander. Ze dachten dat ze een gemakkelijke avond tegemoet gingen. Het liep anders. In de derde minuut van de wedstrijd viel de bal voor de voeten van Jean-Paul Courtois van Blauw-Wit. Die slingerde hem op goed geluk met een wilde schop voor het doel waar Leon Makuna vrij stond om de bal hard in het Engelse doel te koppen. Arsenal moest nu drie doelpunten maken om de mijnwerkersploeg uit te schakelen. De verdediging uit Genk stond lang onder druk maar hield stand, vooral dankzij de inzet en klasse van de centrale verdediger Guy Vaneycken en keeper Dmitri Skriabin. De Belgen hadden het geluk aan hun zijde. Een vrije trap van de befaamde Graham Rix spatte van de lat terug het veld in. Arsenal scoorde in de tweede helft twee keer, maar het derde doelpunt viel niet en het onbekende Blauw-Wit uit Genk had voor een stunt gezorgd. De spelers werden thuis als helden ontvangen. Wat de supporters betreft stond de UEFA Cup al in de prijzenkast.

Het verbaast me wat er allemaal op internet te vinden is over de twee ontmoetingen tussen Blauw-Wit en Arsenal. Op YouTube stuitte ik zelfs op oude samenvattingen. Internet bestond nog niet. Die samenvattingen zijn dus later op het web gezet, waarschijnlijk door supporters die trots waren op de grootste prestatie van Blauw-Wit in het Europese voetbal.

De ploeg uit Genk kwam niet verder in de UEFA Cup. De Belgische ploeg strandde in de volgende ronde op het niet al te bekende Schotse Caledonian FC, één van de twee clubs die in 1994 na een fusie verder gingen onder de naam Inverness Caledonian Thistle. Thistle is het Engelse woord voor distel. Niemand raakt ongestraft een distel aan. Ook de vieze mannen hebben zich eraan geprikt.

Er is op internet weinig te vinden over de ontmoetingen met Caledonian. Alleen de eindscores: Blauw-Wit speelde thuis gelijk met 1-1 en verloor in Schotland met 3-0. Voor de Belgische mijnwerkersploeg inderdaad een resultaat om niet te lang bij stil te staan. Bij de score in Schotland staat een verwijzing naar een voetnoot; de bezoekende club was niet op tijd met voldoende voetballers aanwezig en verliest daarom reglementair de wedstrijd met 3-0. Heel bijzonder. Dat is iets wat nog wel eens in het amateurvoetbal voorkomt. Daar komen teams weleens in de problemen omdat spelers niet komen opdagen, omdat de kinderen ziek zijn of omdat ze naar een verjaardag moeten van hun schoonmoeder. Of omdat ze liever in hun warme bed blijven liggen als het buiten regent en koud is. Maar in het betaalde voetbal is dit ondenkbaar. Wat gebeurde er in Schotland? Dat wilde ik graag weten.

Waarom? Het was geen onzinnig tijdverdrijf van een pas ontslagen sportredacteur die ineens veel te veel tijd heeft. Intuïtief voelde ik aan dat hier een kans lag om me met een goed verhaal te revancheren. Ik wilde laten zien wat ik echt waard was. Ik kon veel meer dan korte verslagen schrijven van regionale sportwedstrijden voor de maandageditie. Ik wist dat wel, het werd tijd dat ik dat liet zien aan de rest van de wereld. Ik had een missie.

Ondanks dat het minder dan een uur rijden van mijn huis ligt, was ik nog nooit in Genk geweest. Ik had er niets te zoeken. Het plaatsje kreeg in geen enkele toeristische gids veel aandacht en al helemaal geen lovende beschrijving.

Volgens Wikipedia is Genk een industriestadje met ongeveer zestigduizend inwoners. In het begin van de vorige eeuw waren dat er nog geen tienduizend. Door de steenkoolwinning die vanaf 1915 goed op gang kwam, groeide de bevolking in een rap tempo, voornamelijk door immigratie van buitenlandse arbeiders en hun gezinnen. Eerst kwamen de Oost-Europeanen, later de Zuid-Europeanen en nog later de Turken en de Marokkanen. Een derde van de bevolking van Genk is van buitenlandse afkomst. De laatste mijnen werden in 1988 gesloten, een belangrijke inkomstenbron voor de bewoners viel weg. Desondanks raakte het stadje niet in verval, het is nog steeds één van de belangrijkste industriesteden van Vlaanderen.

Niet ver van de afslag naar Genk, stuitte ik op twee grote gerenoveerde schachttorens die tegenwoordig het middelpunt vormen van een educatief attractiepark, waar kinderen alles kunnen leren over hoe hier de steenkool vroeger werd gewonnen. Het stadion had in een buitenwijk gestaan, op een steenworpafstand van de mijnen. Nu staan er bungalows en tweekappers. Ik zette de auto aan de kant om door het saaie nieuwbouwwijkje heen te lopen. Was er nog iets overgebleven van het stadion, een gedenkteken of zo? Een heel klein stukje gras met de middenstip of met een cornervlag? Dat was toch leuk geweest, maar er was niets te zien dat ook maar aan voetbal deed denken. Het was alsof hier nooit een voetbalstadion had gestaan. Waar ik liep, tussen de huizen en langs de tuinen met schommels en trampolines, vonden vanaf de oprichting in 1923 tot het einde van Blauw-Wit in 1988, honderden veldslagen plaats tussen twee teams van elf spelers. Kinderen en volwassenen van alle nationaliteiten die Genk rijk was, kwamen hier bijeen om zelf te spelen of om het eerste team aan te moedigen. Zoals op die gedenkwaardige 20 oktober 1981 toen het grote Arsenal hier met 1-0 werd verslagen in de modderpoel.

Het gejuich was definitief verstomd, niets herinnerde meer aan de bezwete voetballijven, smerige overtredingen, omstreden penalty’s, groteske foute beslissingen van scheidsrechters, de woede en het verdriet na weer een verloren wedstrijd, de euforie als er gewonnen werd en de steelse blikken die in de kantine werden uitgewisseld tussen de jongens die hier droomden van een voetbalcarrière en de meisjes die hen bewonderden. Waar had die kantine eigenlijk gestaan? Hoeveel romances waren hier, op die paar honderd vierkante meter eigenlijk begonnen en hoeveel kinderen waren er uit die romances geboren? Het decor dat ooit ruimte gaf aan alle denkbare emoties, het was er niet meer. Het was veranderd in netjes opgedeelde units waar het leven zich afspeelt achter gesloten deuren, met groen ommuurde tuintjes, bastions van het recht op privacy en rustige straten waar een vreemde auto met een Nederlands kenteken meteen opvalt.

Ik was stil blijven staan op een plek waar ik tussen de bungalows door kon kijken, speurend naar dingen die er niet meer waren. Een trapveldje voor de jeugd had me op dat moment zelfs kunnen bekoren.
Ik vroeg me ineens af wat ik daar deed, waar ik eigenlijk mee bezig was. De twijfel sloeg toe. Kon ik me niet beter bezighouden met het heden en het nauwelijks opzienbarende verleden van Blauw-Wit laten rusten voor wat het was? Hoe bijzonder was dat nou helemaal? Hoeveel voetbalclubs waren er niet opgehouden te bestaan? Te veel om op te noemen. Wat deed ik daar? Kon ik niet veel beter op zoek gaan naar vacatures op het gebied van media en journalistiek?

Iemand tikte me op mijn schouder. Ik draaide me om. Een al wat oudere kalende man keek mij onderzoekend aan. Hij had een nerveus trillend hondje aan een lijn dat aan mijn schoenen begon te snuffelen.

“Zoekt u iets? Kan ik u misschien helpen?”, vroeg de man uiterst beleefd.
“Misschien”, antwoordde ik, “heeft hier niet ergens het stadion van Blauw-Wit gestaan?”
“Zeker en vast, waar we nu staan is zelfs eens het veld geweest.”
“Dat kunt u zich nog herinneren?”
“Nee, ik niet. Ik kom van buiten de stad. Ik woon hier nog maar drie jaar. Dat hebben mensen die hier langer wonen mij verteld. Maar waarom vraagt u dat?”
“Ik ben geïnteresseerd in het verleden van die club. Kent u toevallig iemand die me meer over Blauw-Wit kan vertellen?”
“U zou eens naar Vaneycken kunnen gaan, die heeft een dierenwinkel hier in de binnenstad. Hij schijnt hier nog te hebben gevoetbald.”

Dit fragment komt uit Het elftal dat de mist inging van Willem Bux (zie Staantribune nummer 5 voor de recensie). Leden van Staantribune kunnen het boek bestellen voor € 12 in plaats van € 14,95 en zonder verzendkosten! Ga naar www.uitgeverijpepijn.nl en vermeld in het bestelformulier: abonnee Staantribune.