Heb jij, net als Staantribune-volger Dion van Meel, een groundhoptrip gemaakt? Stuur jouw verhaal (plus foto’s) dan naar info@staantribune.nl. De leukste artikelen worden op deze website geplaatst.

Altijd staken mijn broers en ik binnendoor vanuit ons huis in de Lijsterhof, terwijl we de bal een stukje voor ons uit rolden. Dan sprongen we over de sloot en kropen we door het gat dat kwajongens in het hek hadden geknipt. In omlopen hadden we geen zin en de ingang naar veld B en C van vv Madese Boys was toch nooit open in de zomer.


Stiekem, maar zichtbaar, voetbalden we de hele zomerstop op deze velden. We wisten dondersgoed dat het niet mocht, maar de velden waren groot genoeg om te vluchten. Niks kon ons gebeuren. We moesten enkel waken voor materiaalman Jos. Als hij ons zag, schreeuwde hij vanaf de andere kant van het voetbalveld altijd weer die ene zin: “Ga ’s vaan da veld aaaf! Ut Is paas ingezoaiuh!” Het smalle sigaartje in z’n mond viel wonderbaarlijk genoeg nooit op de grond. Ik verdacht plakband, maar het kon ook gewoon een goedgetrainde lip zijn. Als Jos aankwam, maar ons nog niet zag, doken we snel de bosjes in en wachtten we net zolang tot hij uit het zicht was. Dit duurde steeds langer naarmate Jos ouder werd. Als hij eindelijk verdwenen was, kropen we uit de bosjes en gingen we door. Met tienen, afkoppertje of kat-en-kutten. Tot pa op z’n vingers floot voor het avondeten, een geluid uit duizenden.

Aan de andere kant van sportpark De Schietberg ligt nog altijd het hoofdveld. Vanaf de ingezoaiuh velden waarop we op ieder vrij moment voetbalden, was de tribune aan het hoofdveld maar nét zichtbaar, verscholen achter bomen en hekken. Vrij voetballen op dat veld deed je gewoon niet; dat veld was heilig. Het was het veld waarop we ooit iedere zondag zouden spelen, maar nu nog niet. We moesten gewoon geduldig wachten en ons best blijven doen, totdat we eindelijk op veld A onze wedstrijden mochten spelen.

Zelden kom ik er nog, omdat mijn ouders inmiddels zijn verhuisd naar de andere kant van Made, maar zaterdag 8 juli was ik er weer eens. Mijn broer vroeg me of ik zin had in een potje Madese Boys – NAC, een jaarlijks terugkerende pot die tijdens de zomerstop gespeeld wordt. Sinds die zaterdag zit ik met gemengde gevoelens. Het icoon Jos is niet meer, maar het is niet het enige dat is verdwenen. Door het feestgedruis heen zag ik dat veel van wat ik me herinnerde uit mijn verleden vernieuwd of veranderd was. Madese Boys had voor het eerst in haar bestaan een grote modernisering ondergaan. Een positieve modernisering, dat wel, maar ook een pijnlijke.

Ik zag het al bij m’n aankomst op het parkeerterrein. Een replica van een oud kanon deed de bezoeker altijd aan het militaire schietoefenterrein herinneren dat ooit op de plek van het sportpark lag, vóór het in 1976 werd omgebouwd tot het sportpark van Madese Boys. Maar het kanon is weg. Volgens de oud-voorzitter omdat Madese Boys het een poos geleden was uitgeleend aan het naastgelegen dorp Geertruidenberg voor een schietevenement, maar sindsdien nooit is teruggekeerd. Van je buren moet je het hebben. Het terrein oplopend, werd de heimwee groter. De sierlijke letters die ‘Madese Boys’ vormden boven de oude ingang, waren verbannen naar de achteruitgang van Veld A en de lichtkast naast het entreehokje – een lichtkast die altijd gevuld was met dode en spartelende vliegen, waar je vroeger kon lezen over tegenstander, spelerslijst en aanwezigheidstijd – was ingehaald door de technologie van websites en mobiel.

Op de plek die ooit gevuld werd met deze lichtkast stond ik even stil en tuurde ik door de drukte van mensen heen over het hoofdveld. Over een veld dat ik nog nooit zo strak had gezien. Ik dacht aan het hobbelige veld dat ooit was, met aan de zijlijn de prachtige ingegraven stenen dug-outs. Ook zij bleken de strijd van de tijd te hebben verloren. En van de bankzitters die liepen te klagen over het feit dat ze bij regen nat werden en het bij wind koud hadden. “Beter je best doen”, zou u zeggen, “hoef je niet daar te zitten.” Ik weet wel beter. In plaats van de kleine stenen dug-outs staan er nu strakke doorzichtige dug-outs tegenover. Aan de andere kant, ja. De kant van het publiek. Ook in deze verandering bleken spelers en publiek een stem te hebben gehad.

Ik keek naar de acht trappen achter de moderne dug-outs. Trappen, omhooglopend richting kantine, breed genoeg om gebruikt te worden als staantribune. In mijn jeugd keek ik tijdens wedstrijden minutenlang naar deze trappen. Vanonder mijn lat zocht ik dan naar vriendjes, ouders en scouts. Menige wedstrijd stond het er voller dan op de tribune ernaast. Waarschijnlijk omdat de tap in de kantine, die naast de trappen staat, op deze plek dichterbij is.

Dan die tribune. Die prachtige tribune van Madese Boys. Het maakt het plaatje dat De Schietberg is compleet. Op de tribune, die toen nog bankjes had in plaats van stoeltjes, heb ik wedstrijden van ‘ut irste’ gezien, biertjes gedronken, meisjes gekust en gedroomd. Veel gedroomd. Eén van die dromen bevond zich onder de tribune, in de twee kleedkamers. Kleedkamers die alleen mochten worden gebruikt door teams die op het hoofdveld speelden. Vanbinnen juichte ik als we in die kleedkamers mochten zitten, als we voor de warming-up als echte profs vanuit die tribune het veld op mochten lopen of in rijen het veld opkwamen tijdens een grote wedstrijd. Een andere droom werd daar werkelijkheid: ik kreeg er mijn eerste winstpremie na een wedstrijd. Van Ad, assistent-trainer van Madese Boys 1. Met de woorden: “Hedde terug vaan fèftig?” kreeg ik van Ad loon voor voetbal. Loon dat na de wedstrijd altijd weer snel verdween in de kassa’s achter de bar, maar dat gaf niet.

Altijd als ik haar zag, kwamen de herinneringen boven. Herinneringen aan de schreeuw van Jos en het loon van Ad, maar ook aan m’n eerste wedstrijd in 1, aan m’n eerste paar keepershandschoenen, aan de eerste bal in m’n gezicht en m’n eerste gekneusde enkel. Als ik terugdacht aan De Schietberg, schoten herinneringen als kanonskogels uit mijn gedachten. Herinneringen aan de grootste liefde van mijn leven: voetbal. De Schietberg deed dat altijd met me. Maar sinds zaterdag 8 juli 2017 heb ik moeite om die herinneringen aan het uiterlijk van Madese Boys levend te houden. Sinds zaterdag 8 juli 2017 vechten mijn herinneringen tegen de moderniseringen van het sportpark. De sloot wordt tegenwoordig doorkruist door een stenen voetpad en nooit meer zal iemand over het B-veld schreeuwen dat “ut pas is ingezoaiuh”, omdat er nu kunstgras ligt. Nooit meer zal een speler nog op de lichtkast kijken en zolang ‘D’n Berg’ het kanon niet teruggeeft, zullen supporters of spelers nooit meer met hun zatte ballen op het kanon zitten.

Maar het is goed zo. Zaterdag 8 juli merkte ik dat uiterlijk er eigenlijk niet toedoet. Niet dat De Schietberg lelijk is geworden – integendeel: ze is prachtig opgeknapt – maar zaterdag merkte ik dat zij het niet moet hebben van haar uiterlijk. Madese Boys is Madese Boys door haar mensen. Haar vrijwilligers, liefhebbers, supporters, ouders en jonge talentvolle Madese voetballers.

Na negentig minuten keek ik op het scorebord: 0-7. Terwijl Madese Boys 1 open huis hield tegen NAC, stelden haar mensen hun hart open. Ik had geen doelpunt gezien, maar was gevuld met liefde. Voor voetbal, Made en De Schietberg.

Heb jij, net als Staantribune-volger Dion van Meel, een groundhoptrip gemaakt? Stuur jouw verhaal (plus foto’s) dan naar info@staantribune.nl. De leukste artikelen worden op deze website geplaatst.