De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: Jurriaan van Wessem (onder meer ex-Elf, de Volkskrant, La Gazzetta dello Sport, Eurosport).

Als ik maar over één Italiaanse voetballer iets mag schrijven, wil ik – ondanks het enorme aanbod – over Gianluca Vialli schrijven, zo simpel is het leven wel. Voetbal in Italië, dat is als een droom uit mijn jeugd. Zon, zee, een bal en een doel, meer heb je niet nodig. Of misschien ook nog een oneindige tijdloosheid, iets met eeuwige jeugd.

Als ik over voetbal in Italië schrijf, wil ik eigenlijk maar één man noemen: Paolo Mantovani, de onvergetelijke en charismatische voorzitter van Sampdoria. Dankzij hem kom ik vanzelf uit bij Roberto Mancini en Gianluca Vialli. I gemelli del gol (‘De tweelingen van het doelpunt’), werden ze genoemd. Maar net als fans van The Beatles zich verdelen in adepten van Lennon of McCartney, heb je fans van Sampdoria die blind voor Mancini of voor Vialli zijn. En ik ben een echte Vialli-fan, de Paul McCartney van Doria. Niets ten nadele van il grande Mancio, maar met Vialli ging de zon op. Of zoals Mantovani het ooit verwoordde: “Met Mancini valt er misschien meer te genieten, maar met Vialli win je meer en heb je dus nog meer plezier.”

Gianluca Vialli bouwde een unieke erelijst op als clubspeler omdat hij alle vier Europese bekers won, maar ook alle Europese finales een keer verloor. Dat kan niemand hem nazeggen. Toen hij in het shirt van Juve de Cup met de Grote Oren in de lucht hield, was dat een bekroning voor zijn hele oeuvre. Daar stond hij als een echte teamspeler, die zijn ploegen beter liet presteren en niet alleen dankzij zijn doelpunten, maar vooral dankzij zijn wilskracht. Elke ploeg kon zich aan hem optrekken.

Maar als ik aan Luca Vialli denk, zie ik hem vooral in het blauwgesjerpte shirt van Sampdoria. Hij speelde er acht jaar, van 1984 tot 1992. Bij zijn debuut scoorde hij binnen veertig seconden, in een bekerwedstrijd tegen Cavese op een hete zomeravond. Het zou het startsein zijn voor de mooiste jaren in de clubgeschiedenis, voor het Samp d’oro. Toen hij voor het laatst het veld verliet om als duurste speler ter wereld naar Juve te gaan, liet hij een heel stadion tot tranen toe geroerd achter. Over de hele breedte van het veld was een spandoek gehangen: ‘Lontano da noi capirai cosa vuol dire sentirsi amato. Addio campione!’ (‘Ver van ons vandaan zul je pas begrijpen hoe het voelt om geliefd te zijn. Vaarwel, kampioen!’).

Zelden zal een speler in Italië die van club veranderde, zo geliefd zijn geweest als Vialli in Genua. Toen hij drie jaar later in de slotfase de winnende goal voor Juve maakte tegen Sampdoria, kreeg hij een staande ovatie en werden alle aan hem opgedragen liedjes opnieuw gezongen. Er klonk geen enkele wanklank, want iedereen gunde hem het succes.

Bij Sampdoria kwam zijn talent tot volle wasdom. Vialli maakte mijn jeugddroom waar, want hij werd een topscorer aan de blauwe zee, trainde tussen cipressen en palmen in de oase van Bogliasco en leefde met zijn ploeggenoten in de mondaine badplaats Nervi. Om dit Sampdoria te begrijpen moet je daarheen: Nervi, een dorp op vijftien kilometer van Genua. Hier leefden de meeste spelers ontspannen. Ze wandelden over de zeepromenade, spraken af bij de enige bioscoop of bij een strandtent. Het ging er bijna studentikoos aan toe. Het was een totaal andere interpretatie van topvoetbal.

Mantovani schiep de ruimte door streng, maar niet te veeleisend te zijn. Hij liet zijn spelers eerst volwassen worden. Dit Sampdoria straalde vanaf het midden van de jaren tachtig de eeuwige jeugd uit. Of zoals trainer Vujadin Boskov het zei: “Dit is een meisje in volle bloei en op een dag zal iedereen verliefd zijn op haar. En ik ben de vader, die op haar moet letten.” Van dat meisje werd Gianluca Vialli het symbool, de absolute leider.

Het had ook anders kunnen lopen. In 1986 werd hij bijna weggekocht door Berlusconi, die alle grote talenten van het schiereiland bij het pas door hem overgenomen AC Milan wilde onderbrengen. Vialli had daar geen zin in, maar Mantovani had al met de transfer ingestemd. Vialli kwam ontstemd het kantoor van de voorzitter binnen: “Ik smeek u om mij niet te verkopen. Ik wil hier helemaal niet weg. Ik wil elke ochtend de zon uit de zee zien komen. Ik wil met Sampdoria kampioen worden.”

De voorzitter was zo ontroerd dat hij Vialli meteen weer via een achterdeur liet vertrekken. Daarna liet hij de in een andere ruimte wachtende Adriano Galliani weten dat er van een transfer toch geen sprake kon zijn. Vialli’s daad zorgde ervoor dat de spelers van Sampdoria een pact sloten om bij elkaar te blijven totdat ze Sampdoria aan een historische scudetto hadden geholpen.

Ze hielden woord, want ze werden niet alleen samen kampioen, maar wonnen ook driemaal de Coppa Italia en een keer de Europa Cup voor bekerwinnaars. In Göteborg besliste Vialli de finale tegen Anderlecht met twee doelpunten. Hij was voorbestemd om namens het gastland de held van het WK’90 te worden. Van de notti magiche herinneren we ons vooral Toto Schillaci en Roberto Baggio. Vialli had last van een mysterieuze blessure en ging door een zijdeur af. Een jaar later was hij de held bij Sampdoria, landskampioen en topscorer van de Serie A, hoewel hij tot november vanwege diezelfde blessure niet had gespeeld.

Vaak wandelde ik over de Passeggiata Anita Garibaldi langs zwartgrijze rotspunten en diepliggende kliffen en dan kwam ik altijd wel een van de spelers tegen. Op de ochtend na het kampioensfeest zaten we daar samen op een bankje, Vialli en ik, uitkijkend over de eindeloze zee in de zon, allebei voldaan want ‘het meisje’ was kampioen. Het was de sublimatie van mijn Italiaanse voetbaldroom: kampioen worden aan zee, in een mooi stadion en ook nog in dat prachtige shirt. Ik vertelde hem dat ik hier als scholier van had gedroomd en dat hij die droom werkelijkheid had laten worden. Vialli luisterde, legde zijn hand op mijn schouder en antwoordde: “En ik droomde er op school altijd van om door een buitenlandse journalist te worden geïnterviewd. Daar zitten we dan.”

Jurriaan van Wessem