Staantribune besteedt deze maand, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs, veel aandacht aan de clubs die sinds de opheffing van de tweede divisie in 1971 zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.

Vandaag een interview met Henk Salari, die zijn gehele voetbalcarrière bij SVV voetbalde.


Je bent nooit weggegaan bij SVV. Hoezo niet?
“Dat had ik eigenlijk wel gewild, zo heb ik onder meer aanbiedingen gehad van FC Twente en FC Den Bosch, die toen in de eredivisie speelden. Helaas gooide een knieblessure telkens roet in het eten.”

Een knieblessure?
“Ja, eigenlijk heb ik zo’n beetje alles in mijn knie kapot gespeeld. Uiteindelijk ben ik acht keer aan dezelfde knie geopereerd. Tegenwoordig zouden ze je na twee operaties al afschrijven. Ik herinner me nog een wedstrijd, uit bij Veendam, waar ik met zoveel pijn van het veld ging dat ik ’s avonds thuis kruipend de trap op moest. Niet geheel verrassend moest ik na die wedstrijd weer geopereerd worden. Een stukje meniscus was helemaal verpulverd en daaromheen was weefsel gegroeid. Dat zorgde weer voor een kraakbeenbeschadiging. Ik heb er eigenlijk gewoon te lang mee door gevoetbald.”

Werd je, ondanks je blessures, wel altijd opgesteld als je fit was?
“Normaal gesproken wel. Ik begon bij SVV als rechterspits, maar moest steeds meer op kracht gaan voetballen door de vele blessures, de snelheid was er wel uit. Ik kwam centraal achterin te spelen en daar heb ik tot mijn 29ste gelopen, voordat mijn knie het echt opgaf. Ik ben al lang blij dat ik nu nog kan lopen. Mijn been helemaal strekken lukt niet meer en ik kan hem ook geen negentig graden buigen, maar je leert er mee leven.

Ik ben SVV dankbaar dat ze mij steeds kansen gaven. Als je zo vaak geblesseerd bent, is dat voor een club natuurlijk vervelend. SVV was eigenlijk een profclub met de karaktertrekken van een amateurclub. Je kende bijna iedereen op de club, zowel bestuurders als supporters, en je maakte met iedereen een praatje. Nu zaten er ook geen achtduizend mensen op de tribunes als we thuis speelden, maar tegen een goede tegenstander waren er meestal wel drieduizend toeschouwers. Ik herinner me nog een uitwedstrijd bij FC Amsterdam, we speelden toen in het Olympisch Stadion, waar er ongeveer zeshonderd mensen op de tribune zaten. Dat was niet wat. Een jaar later speelde Amsterdam op een veldje naast het Olympisch Stadion.”

Zijn er andere wedstrijden die je goed zijn bijgebleven?
“Dat zijn er zoveel, dat is niet normaal. Ik vond het geweldig om voor SVV te spelen, dus ik genoot van elke wedstrijd. In een wedstrijd tegen De Graafschap ging ik tijdens een corner mee naar voren. Stond onze trainer Sandor Popovics langs de lijn te schreeuwen dat ik heel rap weer naar mijn eigen helft moest rennen. Gelukkig deed ik alsof ik hem niet hoorde en kopte ik die bal erin. Hing Popovics een halve minuut later om mijn nek om het doelpunt te vieren.”

Toen SVV op omvallen stond werd de club gered door een autohandelaar, John van Dijk. Hoe kwamen ze bij hem terecht?
“Van Dijk redde op dat moment de club. Het ging mij niet eens om het behoud van profvoetbal, maar door het faillissement dreigden ook de jeugd- en amateurtak van de club te verdwijnen. Dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Ik was een rasechte SVV’er, het ging mij meer om de club zelf dan om het eerste elftal. Ik zie nu nog mensen op de club lopen, met een wandelstok, die ten tijde van het aanstaande faillissement stonden te huilen. Voor die mensen doe je het.

Toen Van Dijk kwam, wilden opeens veel meer ondernemers en bedrijven in SVV investeren. Daar heb ik een beetje een vieze smaak aan overgehouden. Ik heb ze in een interview ooit eens ‘strontvliegen’ genoemd. Werden ze boos op mij, maar dat deed me niets. Toen SVV gered was, wilden ze er opeens bij horen. Daar kon ik niet goed tegen.”

En hoe zijn je herinneringen aan het oude complex, Harga?
“Daar droop de nostalgie vanaf. De sfeer was er goed, de staantribune en overdekte tribune waren vaak goed gevuld. Het ademde daar voetbal, het publiek zat ook lekker dicht op het veld. Als je tegenwoordig kijkt naar de ArenA of het GelreDome, die lijken meer op concertzalen dan op voetbalstadions. Nee, geef mij maar de lekker ouderwetse stadions, zoals je die nu nog kan vinden in de lower leagues in Engeland.

Op Harga werd er gevochten voor een overwinning. Wij deden vroeger dingen, daar zou je nu drie keer rood voor krijgen. En dan heb ik het over één overtreding. We gaven ellebogen en trapten elkaar doormidden. John Linford van Fortuna Sittard kon echt het bloed onder mijn nagels vandaan halen met zijn overtredingen, maar na de tijd gaven we elkaar een hand en dan was het klaar. Zo hoort het ook.”

Uiteindelijk ging de profclub SVV alsnog failliet, wat vond je daarvan?
“Dat blijft jammer. Toen John van Dijk SVV in eerste instantie redde, heb ik nog een jaar samen gevoetbald met spelers als Keje Molenaar, Winston Bogarde en Dean Gorré. Geweldige voetballers, echte persoonlijkheden in het veld. Ik had niet het gevoel dat de gemeente er ook maar één moment aan dacht om SVV te helpen in die moeilijke tijd. Ze lagen altijd dwars als er een vergunning aangevraagd moest worden of als er andere plannen waren.

Gelukkig hoefde ik na mijn carrière niet stil te zitten. Ik ben onder meer trainer geweest bij meerdere amateurteams. Mijn vrouw zou het, denk ik, ook niet leuk vinden als ik elke avond thuis zou zitten. SVV is, nog steeds, een rode draad door mijn leven. Ik ben er twee keer trainer geweest van de amateurtak en kom er nog vaak. Op dit moment train ik PPSC uit Schiedam. Lekker met de jongens op het veld, je blijft erbij betrokken en de ouderwetse voetbalhumor zou ik voor geen goud willen missen.”

Wil je oude tijden herleven? Kom dan naar de Dag van de Verdwenen Clubs op zaterdag 25 november. Abonnees van Staantribune hebben gratis toegang (wel aanmelden via info@staantribune.nl!), tickets voor niet-leden zijn te koop in de webshop.