Staantribune besteedt deze maand, in aanloop naar De Dag van de Verdwenen Clubs, veel aandacht aan de clubs die sinds de opheffing van de tweede divisie in 1971 zijn verdwenen uit het betaald voetbal: SVV, FC Wageningen, SC Veendam, RBC, HFC Haarlem, FC Amsterdam, VC Vlissingen, SC Amersfoort, AGOVV en FC Vlaardingen.

Vandaag een interview met Gerdo Hazelhekke, die bij FC Wageningen twee keer topscorer werd van de eerste divisie.


Je speelde twee periodes bij FC Wageningen, hoe denk je daaraan terug?
“Dat waren twee heel verschillende periodes. De eerste periode kwam na een teleurstellend jaar bij NEC. Ik was eigenlijk al blij dat ik weer een club had gevonden. Ik was niet professioneel genoeg met de sport bezig, vond het leven veel te gezellig. Dat tegenvallende seizoen was dus grotendeels mijn eigen schuld. Ik kreeg een hoop geld en zat meer in de stad dan dat ik op het trainingsveld stond. Mijn contract bij NEC werd niet verlengd, waarna Maarten Vink, de coach van FC Wageningen, contact met me opnam. Dat heeft me gered, samen met de militaire dienst. Er werd me discipline bijgebracht. Ik speelde in de militaire elftallen en mijn vertrouwen kwam terug.

Bij Wageningen werd ik steeds beter. Ik begon steeds meer te scoren en werd zelfs topscorer van de eerste divisie. Die periode was heel verkennend, ik wist nog niet echt wat ik wilde. Ik had nooit ambities gehad om aan de slag te gaan als profvoetballer. Ik rolde er eigenlijk in één keer in, verrassend en zeker lastig, omdat ik me ook met zaken naast het voetbal bezighield. Voor mij was het leven tot op dat moment een groot feest, een spelletje.”

‘Watjes worden niet geboren, die worden gemaakt’, zei Korbach altijd

Hoe kwam je erachter dat het anders moest?
“Op het moment dat Fritz Korbach trainer werd bij Wageningen. Waar Maarten Vink veel met je praatte en je vertrouwen wilde geven, was Korbach veel directer. Niet lullen, maar poetsen. Op de trainingen deed hij zelf mee en als het even kon, schopte hij je doormidden. ‘Watjes worden niet geboren, die worden gemaakt’, zei hij altijd.”

Veranderde Korbach veel aan je spel?
“Ik begon steeds fysieker te spelen. Zo zat ik niet in elkaar, maar Korbach bracht dat echt in mij naar boven. In de zestien meter liet ik merken dat ik er was, dat deed ik voorheen niet. Ik ging ook wel eens flink over de schreef. Uit bij Excelsior, net voordat de nacompetitie begon, kreeg ik het aan de stok met keeper Eddy van der Roer. Hij sloeg me gedurende de wedstrijd twee keer tegen mijn hoofd, waardoor ik twee keer gehecht moest worden. Ik waarschuwde hem, maar hij flikte het gewoon nog een keer.

Alsof het zo moest zijn, speelden we een aantal weken later op De Wageningse Berg weer tegen Excelsior. Er kwam een voorzet van rechts op ongeveer een meter hoogte. Ik wilde koppen, maar zag Van der Roer komen, dus besloot er met mijn voet heen te gaan. Ik raakte een combinatie van de bal en de keeper. Van der Roer liep vol met zijn gezicht tegen mijn noppen aan en ging met gebroken boventanden en gescheurde lippen van het veld af”

Vond je dat niet iets te ver gaan?
“Nou, op dat moment niet echt. Het gebeurde in het heetst van de strijd. Ik ging zelfs nog even boven hem staan om te zeggen dat we vanaf dat moment weer gelijk stonden. Verdedigers hebben mij ook vaak genoeg geprobeerd een doodschop te verkopen. Huub Stevens kon je met een lachend gezicht een gebroken been schoppen, Huub was een van de naarste voetballers om tegenover te staan.”

Op het moment dat Wageningen failliet ging, was je al een tijd gestopt, maar zag je het desondanks aankomen?
“Eigenlijk wel. Ik kende ook de andere kant van het verhaal. Een goede maat van mij hield zich als deurwaarder bezig met de financiële situatie van FC Wageningen. Het geld was er wel, dat hadden de sponsoren in hun binnenzak zitten. Er moest op een gegeven moment voor twaalf uur  ’s middags 150.000 gulden op tafel komen, maar ze boden maar 100.000 gulden. De sponsoren wisten best dat als het geld er niet zou komen, de club failliet zou gaan. Ze dachten dat ze konden onderhandelen met de belastingdienst en deurwaarder. Niet dus.”

Welk moment uit je periodes bij Wageningen staat je het meeste bij?
“Voor mij springen er twee momenten uit. Een uitwedstrijd bij Ajax, de tweede competitiewedstrijd in het seizoen 1978-1979. We wonnen 2-4 en ik scoorde tweemaal. Ik denk dat we toen nog beter speelden dan in die 1-6 bekeroverwinning op PSV.  

Een ander moment was een wedstrijd tegen Cambuur, die we met 4-0 wonnen. Na een minuut of acht onderschepte ik een bal op het middenveld en passeerde meerdere tegenstanders. Ze probeerden de bal nog van mijn voet te glijden, maar ik schoot hem onderkant lat in de kruising. De ban was gebroken, een belangrijk doelpunt op een belangrijk moment, want door die overwinning promoveerden we naar de eredivisie.”

Heb je het maximale uit je carrière gehaald?
“Absoluut niet. Toen ik nog voetbalde heb ik vier sportzaken opgebouwd, die ik uiteindelijk weer heb verkocht. Ik heb altijd het standpunt gehuldigd dat sport leuk is, maar dat er ook tijd moet zijn voor gezelligheid. Die verhouding lag soms wel eens scheef. Was het gezelliger dan eigenlijk verantwoord was, om het maar voorzichtig te zeggen. Tegenwoordig heb ik samen met mijn vrouw een leuk bedrijfje in relatiegeschenken. Ik ben best druk, heb veel afspraken en het levert ook nog wat op. Zolang het allemaal nog leuk is, blijf ik er lekker mee doorgaan.”

Wil je oude tijden herleven? Kom dan naar de ‘Dag van de Verdwenen Clubs’ op zaterdag 25 november. Abonnees van Staantribune hebben gratis toegang (wel aanmelden via info@staantribune.nl!), tickets voor niet-leden zijn te koop in de webshop.