De rode wijn ging rond, de olijven stonden pontificaal op de tafel. Zo gaat dat als je je eerste avond in het majestueuze Rome viert. Het was de winter van 2005 en ik bezocht mijn neef Tim, die voor zijn economiestudie een jaar in Italië verbleef. Samen met mijn negen jaar oudere neef Joost – de broer van Tim – maakten we ons in een schilderachtig studentenhuis in Rome-Noord op voor een fijn avondje stappen. Het welbekende indrinken gebeurde in gezelschap van Tims twee tijdelijke huisgenoten, waarvan er eentje uit België afkomstig was. Zijn naam was Tom, hij droeg een bril en had schrikbarend weinig over voetbal te melden.

Onze andere gesprekspartner was uit een geheel ander hout gesneden. Francesco was een ware Italiaan, met mooie donkere krullen, een stevige borstkas en een machoblik in de blauwe ogen die de mannelijke bewoner van het schiereiland zo typeert. Ook droeg hij een ruwe stoppelbaard, waardoor ik hem in eerste aanleg met het stoere Lazio associeerde. Ik kon me met gemak indenken dat deze Pietro Vierchowod-achtige verschijning op zondag het Olympico betrad en in de betonnen kolos vol flair meebrulde op lofzangen die in 2005 vooral bestemd waren voor de held van dat moment: Paolo di Canio. Hij zou wellicht voor Atalanta Bergamo kunnen zijn, onze Francesco, met zijn vurige manier van spreken en zijn drukke gesticuleren. Hij zou een Interista kunnen zijn, die als taxichauffeur toeristen door Rome loodste om zijn rechtenstudie te bekostigen. Francesco kon voor Napoli zijn, al was hij te jong om Maradona nog bewust te hebben meegemaakt, Francesco kon voor Milan zijn, Francesco kon voor Bari zijn. Francesco kon eigenlijk voor elke club zijn – als het maar vol Zuid-Europees vuur gebeurde.

In het halfuur dat we hem nu hadden meegemaakt, had hij alle stereotypen over de Italiaanse man bevestigd. Enigszins voorovergebogen luisterde hij met charmante nieuwsgierigheid naar de al licht aangeschoten muziekfreak Joost, die vertelde dat hij op zijn tiende al een drumstel bezat. Ronduit aandachtig werd Francesco toen wij met onze voetbalclubs op (Joost: AZ, schrijver dezes: Feyenoord) op de proppen kwamen en vertelden dat een Nederlands gezegde luidt dat het calcio de belangrijkste bijzaak in het leven is. Francesco krabde aan zijn stoppelbaard, keek ietwat beschaamd naar de grond en biechtte op dat hij nog nooit zoveel liefde had gevoeld voor een vrouw als voor zijn teergeliefde voetbalclub Potenza SC. De Italiaan stroopte de mouw van zijn gespierde rechterarm op, wat tot gevolg had dat wij recht tegen een stevige tatoeage aan gluurden.

“Friendzz from Hollandzz, brozzer and and cousin from Tiem”, sprak de pas 21-jarige jongen in rudimentair Engels op ronduit plechtige toon, terwijl hij Joost en mij indringend aankeek. “Hier zien jullie de club waarmee ik opgegroeid ben en waarvoor ik leef. Dit is het instituut waar ik het allemaal voor doe. Potenza SC, de club waar ik zo van hou. Ik ben in Zuid-Italië opgegroeid, maar dat had vriend Tiem jullie natuurlijk allang verteld. Ik ben groot geworden in Potenza. Dat is zeker niet de rijkste stad van het land, maar wel de stad met de mooiste voetbalclub.”

Francesco bracht zijn arm dichter bij onze gezichten. Er was een goudgekleurde leeuw waarneembaar, omgeven door verticale banen: rood en blauw. Alsof het een zeldzame opgraving betrof, priemde hij zijn wijsvinger naar de kop van de leeuw en zette zijn verhandeling voort die veel deed denken aan hoe de koningin de leden van de Staten Generaal toesprak. “Wij houden intens van onze club”, sprak de pas 21-jarige student. “Net als Napoli zijn we maar arm in het zuiden van het land, maar er is iets dat ze nooit van ons zullen kunnen afnemen: onze trots. Wij van Potenza hebben geen groot stadion, er kunnen maar vijfduizend mensen naar binnen. Minder nog om precies te zijn, het zijn er negenenveertighonderd. Maar als we íets hebben, dan is het wel trots. En eigenlijk alle tegenstanders zien we als vijanden, we haten ze, ze zijn niet meer dan pure bastardi.

Elke week stond hij paraat voor zijn club, vertelde Francesco met ogen vol vuur. En elke twee weken keerde hij terug naar Potenza, zijn moederstad en bakermat van zijn teergeliefde voetbalclub. “Het is vijf uur reizen met de trein en dat is ver”, vertelde Francesco, terwijl Joost met een minimum aan onopvallendheid op zijn horloge keek om te checken of de discotheek tijd niet was aangebroken. “Maar ik heb het er altijd weer voor over. Potenza is mijn liefde, mijn leven. Een vrouw kan mooi zijn, dat hebben jullie hier wel gezien. Maar er gaat niets boven mijn voetbalclub. Ook morgen weer zal ik met mijn sjaal over het hoofd de trein ingaan, omdat we dan thuis tegen Ravenna spelen. Het zal niet makkelijk worden tegen die jongens, maar neem van mij aan dat ze eraan gaan, die bastardi.”

Francesco krabde nog eens aan z’n baard en viel na zijn gloedvolle donderspeech een moment stil. We maakte van de pauze gebruik om te zeggen dat we het uitgaansleven ingingen. Even later, terwijl de rode wijn zijn werking deed en we in de bus naar het centrum van Rome zaten, vochten bewondering en meewarigheid om voorrang over het optreden van onze nieuwe vriend. Francesco had over het calcio gesproken met de trots van een krijger in het Colosseum.

“Friendzzz from Hollandzzz, we love our club en we fightzz for our club!”, joelde Joost, nooit vies van een imitatie, uitbundig met het Italiaans-Engelse accent dat Francesco had gesproken. We waren het er allemaal over eens: de toewijding van onze Italiaanse vriend had aan het devote geriekt. We konden ons niet voorstellen dat hij een beschimpende grap zou maken over een van de spelers van zijn teergeliefde club. Dat laatste was wel aan de orde toen we in De Disco in hartje Rome stonden. Joost slingerde een bak over de paaseieren van AZ-coach Co Adriaanse de ether in, ik kwam nog maar eens met het onvolprezen ‘Sinterklaas Picuntje’ op de proppen. Fernando Picun was niet populair in De Kuip, omdat hij relatief vaak de bal richting een tegenstander speelde. En daar mocht best wat geinigs over worden gezegd.

Ja, je was fan van een voetbalclub of niet – in Nederland hebben we nu eenmaal het vermogen om te lachen om miskopen, te glunderen om bloopers van stadionspeakers en om de levenswandel van de vereniging flink op de hak te nemen wanneer de gelegenheid zich aandient. De doorsnee Italiaan is beslist passievol, maar bezit aannemelijk minder zelfspot.

“We are poor people in the southzzz, but no one can take of our pridzzee”, joelde Joost nog maar eens aan het einde van een avond waarop Somebody Told Me van The Killers volop had geklonken en Tim met een gluiperige wind zes mooie Italiaanse signore alle windstreken van de discotheek in had gejaagd. Gierend van het lachen om dat staaltje Hollandse overmacht doken we om vijf uur de bedstede in. Het was drie uur voordat de krijger Francesco naar Zuid-Italië zou afreizen.

De Itali­aan hield woord bij het aanbreken van de ochtend. Getooid in rood-blauw Potenza-tricot en sjaal om het hoofd, groette hij mij beleefd toen ik hem in de gang van het studentenhuis ontmoette tijdens een sanitaire stop. Bij het begin van de middag, toen wij ons in de richting van Stadio Olimpico begaven om het middenmootduel Lazio-Sampdoria bij te wonen, vroeg ik me af hoe het Francesco en zijn fanatieke bloedbroeders zou vergaan, zo’n zevenhonderd kilometer zuidelijker. Ik informeerde bij Tim of hij nog wat van onze Zuid-Italiaanse vriend had gehoord.

Tim keek op zijn mobiele telefoon en sloeg achteloos een borghetti achterover. Zo ging dat nu eenmaal, wanneer je een wedstrijd in de Serie A bezocht. In De Kuip werd je voor vier euro afgescheept met een plastic beker Lingen’s Blond, op het Apennijns schiereiland legde je een sjieke bodem met de koffielikeur die overal in de omgeving van het stadion te verkrijgen is. “Hij is goed aangekomen”, meldde mijn neef, turend op zijn mobiele telefoon. “Op wedstrijddagen vindt hij het leuk om me op de hoogte te houden.”

De wedstrijd tussen Lazio en Sampdoria was van bedenkelijk niveau. In een Olimpico dat voor veertig procent was gevuld, nam de uitploeg door twee doelpunten van Simone Inzaghi al snel een 0-2 voorsprong. Vlak voor rust maakte Paolo di Canio uit een strafschop de aansluitingstreffer. Hij vierde die bescheiden mijlpaal met een pirouette en een handkus naar de eigen aanhang.

Lazio – Sampdoria in januari 2005 was een match zoals er zoveel zijn in de middenmoot van de Serie A. Spelers schaakten en schaakten, het duurde tot de 78ste minuut voordat Lazio-manager Domenico Caso een spits voor een spits durfde te wisselen. De ogenschijnlijk eeuwigdurende patstelling tussen de ploegen gaf ons de gelegenheid de verrichtingen van Potenza nadrukkelijk te blijven volgen. Neef Tiem had braaf kond gedaan van de tussenstanden in het eerste half uur: 0-1 en 0-2.

Het was een teleurstellende gang van zaken voor Francesco, die in aanloop naar de wedstrijd nog had ge-sms’t met de gretigheid waarmee Theo Maassen een grove bak oplepelt. Via sfeerverhogende mededelingen (fireworks!, nice weather here!) en duidingen over de tegenstander van vandaag (bastardi, bastardi from Ravenna) sms’te hij zich naar het begin van de match, toen zijn ploeg, heroes from Potenza, het veld opkwam en met een kennelijk overtuigende warming-up de aanhang van Ravenna, “200 bastardi from Ravenna are quiet”, de indruk had gegeven dat er niets te halen viel vandaag bij het kleine broertje van Napoli. Dat de doelman na Potenza al na tien minuten een strafschop stopte, verhoogde de lyriek in zijn digitale informatievoorziening alleen maar: “best keeper from Italy, with Buffon of course”. Francesco had er zin in vandaag en spande zich niet overmatig in zijn enthousiasme te verhullen.

Na het tweede doelpunt van Ravenna viel de berichtenstroom echter stil. In het Olimpico kwamen we tot de conclusie dat onze vriend welbeschouwd weinig eer had van zijn lange reis. “Ze zijn veel scherper, die bastardi”, las Tim voor toen er nog slechts een kwartier te spelen was. Vijf minuten voor tijd kwam er vanuit Potenza een afgepaste mededeling: 1-2.

Om zijn tienjarige zoontje Boris te plezieren, kocht Joost na afloop van Lazio – Sampdoria een Lazio-shirtje met de naam Di Canio op de rug. Eenmaal terug in het studentenhuis at ik met mijn neven en de Belgische huisgenoot Tom een pizzaslice en knabbelden we nog wat van de olijven die op zaterdag waren overgebleven. Veel waren het er niet, we hadden aardig doorgevreten. We vroegen ons af hoe de Gazetto Della Sport op maandag de verrichtingen van Lazio en Sampdoria zou waarderen. “De Roze Krant geeft alleen Inzaghi meer dan een zes”, voorspelde Joost die opmerkte: “ik ben toch erg blij dat ik een keer een pot in Italië heb gezien.”

De wedstrijd was bar tegengevallen, maar we hadden tenminste kennisgemaakt met de Serie A. We wisten nu eindelijk ook wat het was om tifosi te zijn, al was het maar voor één middagje. We hadden borghetti gedronken, we hadden Di Canio gezien en waren in het stadion geweest waar Aron Winter had gespeeld, en Paul Gascoigne, en Francesco Totti en Guiseppe Giannini. We hadden het doel gezien waar Andreas Brehme Duitsland in 1990 met een strafschop naar de wereldtitel had geschoten en hadden tussendoor nog contact gehad met Potenza ook. Wanneer zou onze Francesco eigenlijk thuiskomen? Of bleef hij in zijn moederstad hangen, na de verloren match tegen Ravenna?

“Hij valt altijd stil als het slecht gaat”, wist Tim. Tom, de Belgische huisgenoot, greep zijn kans en praatte ons op een van voetbal doordrenkte dag bij over het Colosseum, de bezienswaardigheid die voor maandag op het programma stond. Als cineast wist hij dat de in 2000 uitgebrachte film Gladiator over het vechttheater voor liefst twaalf Oscars was genomineerd, waarvan er vijf daadwerkelijk werden binnengesleept.

Je moest de film eigenlijk hebben gezien voordat je het Colosseum bezocht, vertelde Tom. Dan kon je zaken plaatsen en kende je de achtergronden bij de spectaculaire, maar uiterst lugubere gang van zaken in het oude stadion. De Belg strooide wat met jaartallen en keizers, maar werd ruw onderbroken door een geluid dat vooral deed denken aan een semi-automatisch geweer. Het was Francesco, de dappere strijder van Potenza, die met militaire passen de houten trap van het studentenhuis was opgestiefeld en zijn rood-blauwe sjaal nog altijd stevig om de hals had geknoopt.

Ruim vijf uur nadat de wedstrijd in Zuid-Italië was afgelopen, stond hij weer in het keukentje waar hij zijn club de avond ervoor zo vurig had aangekondigd. Glunderend van oor tot oor zette hij opnieuw aan voor een verhandeling, natuurlijk weer in dat vertederende Engels. “Friendzz, it was an historical match today!’, jubelde Francesco, vurig maar intens tevreden. “We from Potenza have shown dat we can fightzz als beastzz. We have shown thatzz proudzz is our strengthzz in the Southzz of Italy. We were two-nil down againstzz Ravenna, butzz we fightzz ourselves back and whatzz do you think? I toldzz you thatzz it was 1-2 with five minutes to go. And yes, we made another goal. We fightzz ourselves to one point against that bastardi!”

Gerrit-Jan van Heemst