‘We’re back’, was de slogan na de hartverzakkingen van Gelsenkirchen en Lyon. Na 21 jaar weer een Europese finale voor Ajax. De club is back, maar ook de supporters. Staantribune-redacteur Eric de Jager gaat in Stockholm op voor zijn vijfde Europese finale. Zonder zijn vader.

Finale nummer vijf. Eigenlijk hadden het er zes moeten zijn, maar toen Ajax het in 1987 opnam tegen Lokomotiv Leipzig, zat ik als puber in mijn pyjama voor de tv. Ziek. Mijn vader had als troost nog wel de Tango Azteca gekocht, de bal van het WK in Mexico waarmee ook de Europacup II-finale in Athene werd gespeeld, maar het was het toch niet helemaal. Kaartjes waren in die tijd nog geen issue, het Olympisch Stadion in de Griekse hoofdstad was maar matig gevuld. Veel Ajacieden, slechts een handvol Grieken en Oost-Duitsers zagen Ajax met 1-0 winnen.


Deel 1: Het Traangas van Straatsburg
Een jaar later was er weer een dingetje. De kaartverkoop begon onder schooltijd en mijn vader vond een goede opleiding belangrijker dan een voetbalwedstrijd in Straatsburg. Als rasechte DWS’er had hij sowieso niet zoveel op met Ajax. De rest van de familie ook niet, want bij opa en oma kwam het DWS-servies steevast op tafel als ik kwam eten. Maar de liefde voor zijn zoon was groter dan de afkeer van Ajax, want mijn vader kwam thuis met een ticket voor het Stade de la Meinau. Gekocht tijdens zijn lunchpauze. Hij had ook meteen een route uitgestippeld. Via Straatsburg de beker ophalen en dan door naar Milaan, waar hij moest zijn voor een vakbeurs. Dan konden we meteen Como – AC Milan meepikken, de kampioenswedstrijd van de Rossoneri.Ajax - KV Mechelen finale
De finaledag begon geweldig. Vlotte trip, goede sfeer en heerlijke merguez worstjes voor het stadion. Maar vanaf die worst ging het bergafwaarts. De winnende goal van Piet den Boer kon ik goed zien, maar de rest van de finale ging aan mij voorbij, dankzij de dikke wolken traangas die de Franse politie kwistig in het rond spoot. De trip naar Milaan eindigde met een opengebroken auto en vier lekgestoken banden. Het duurde in het politiebureau uren voordat we werden geholpen door een agent die zag dat ik met mijn tas van de Milan-shop zat te wachten op een receptionist die als Interista te boek stond.

Deel 2: De Touringcar naar Turijn
Vier jaar later stond ik er alleen voor. De dubbel tegen Torino. Hoewel, alleen… Ik had als student al een flinke schuld opgebouwd bij mijn vader, door het uit en thuis volgen van Ajax. Rot Weiss Erfurt-uit had ik laten schieten, toen ik zag wie en wat er de bus inging, maar de overige wedstrijden was ik erbij. Gelukkig begreep mijn vader dat ik weinig keuze had. Hij kon zelf smakelijk vertellen over de busreis naar Elinkwijk die hij ooit als jonge DWS-aanhanger maakte. Hij leende me het geld, al stelde hij me de zomer na de UEFA Cup-winst wel met twee vakantiebaantjes te werk om alles terug te betalen. Het ticket voor het Stadio dell’Alpi was eenvoudig te krijgen. Zeker in het kielzog van Dikke Joop. “Ik ken niet tegen rijen, ik mag niet in de rij van de dokter”, was zijn plat-Amsterdamse mantra op weg naar de kassa. Hij kwam er altijd mee weg.Ajax - Torino finale
De busreis naar Turijn was in handen van chauffeur Willem – hij heette niet zo, maar drie dagen lang luisterde hij daar wel naar – en zijn zoon, die de geuzennaam Corky meekreeg en zich het Obladi Oblada-gezang uit de serie Life goes on lachend liet welgevallen.

Willem was gespecialiseerd in bejaardenreizen richting de Moezel. En daar had hij ook op ingekocht. Nog voor de grens was de hele drankvoorraad erdoorheen. Op het belachelijke aantal benodigde plaspauzes had hij evenmin gerekend. Desondanks stuurde Willem zijn touringcar ruim voor de geplande aankomsttijd Turijn in. De politie vond het aanvankelijk te vroeg om de binnenstad van Turijn onveilig te maken. Maar nadat het verplichte oponthoud langs de autostrada was ontaard in wedstrijdjes snelweg oversteken, was het tijdstip niet meer het grootste probleem.

De wedstrijd was fantastisch, de sfeer na afloop nog beter. Ik schreeuwde mezelf schor met het legendarische Wij willen Ajax zien en We are the Champions vanuit het uitvak. We juichten voor Louis van Gaal en voor Willem, die de dag nuttig had gebruikt door de plaatselijke slijter leeg te kopen.

De kaartjes voor de return in Amsterdam waren wat moeilijker te krijgen. De verkoop bij De Meer eindigde in chaos. We hebben nog jaren gelachen om de man die met een sneetje in zijn gezicht de menigte ontvluchtte en met een zachte g in de camera riep: “Mijn hele gezicht is in de vernieling.” Ergens in de totale anarchie bij de kassa’s zag een van mijn Ajax-vrienden een verlaten hokje. De verkoper was gevlucht, alleen de kaarten lager er nog. Tickets voor iedereen dus! 35 gulden uitgespaard en een UEFA Cup in de pocket.

Deel 3: Verontruste fans op Schiphol
Beter kon het niet, dachten we. Maar het kon wel beter. Tijdens de Champions League-campagne van 1995 had ik inmiddels genoeg freelancewerk om alle reizen te bekostigen. Toch stak mijn vader opnieuw de helpende hand toe. De handelaar die ons de kaarten en vliegtickets had verkocht voor de finale in Wenen, krabbelde ineens terug. Het was een onbegrijpelijk verhaal, dat er volgens mij op neerkwam dat de vliegmaatschappij ook kaarten had, maar daar was iets mee misgegaan. De deal was dat beide partijen de helft van hun klanten zouden teleurstellen, in plaats van een patstelling te creëren waarbij de een vliegtuigen had en de ander toegangskaarten voor het Prater-stadion. Ik had de telefoon nog niet neergelegd of mijn vader rammelde al met de autosleutels. “Ik weet waar dat kantoor zit, we gaan je kaarten halen.”

We bleken niet de enigen te zijn. Een groep verontruste fans had zich voor het hermetisch gesloten kantoorpand op Schiphol verzameld. Als hyena’s cirkelden we twee uur rond het gebouw, tot een meisje zo vriendelijk was om de deur te openen, met het verzoek of we wilden vertrekken. Dat niet, maar naar binnen wilden we wel. Eenmaal op de juiste verdieping troffen wij een kaartenhandelaar met de handen in het haar en personeel van de vliegmaatschappij dat tickets aan het printen was. “Ze hebben me genaaid!” jammerde de kaartenman. De twintig supporters in het kantoor hadden niet erg met hem te doen. Wij hadden onze kaarten en vliegtickets.Ajax - AC Milan finale
Van de wedstrijd en de dag in Wenen herinner ik mij zon, bier en een stalen band om mijn hoofd: wedstrijdspanning die zijn weerga niet kende. Na het puntertje van Kluivert was ik even bang dat mijn hoofd zou exploderen. Het leek me op dat moment een reële mogelijkheid.

De volgende ochtend kwam ik binnen in een huis vol verjaardagsvisite. Ik heb ze keihard laten zitten voor een hoger doel: de huldiging op het Museumplein. Voor de gasten van toen die dit lezen: alsnog sorry en bedankt voor de achtergelaten cadeaus.

Deel 4: De Ramp van Rome
Eigenlijk was dit de minst bijzondere finale. Geen gekkigheid, geen gedoe met kaarten. Terwijl vrienden in een stretched limo aan de reis begonnen, stapte ik heel saai op het vliegtuig. Ajax was goed, maar het onneembare bastion vertoonde barstjes. De hele avond had ik het gevoel dat het er niet in zat. Frank de Boer had weer zo’n avond met slippertjes. Hoewel Van der Sar het ook nodig vond in de vlek van De Boer te wrijven, met de goal van Ravanelli als gevolg. Zelfs de frommelgoal van Jari Litmanen kon het nare voorgevoel niet verdrijven, al heb ik mijn stembanden stukgeschreeuwd. Bij de penalty’s voelde ik al het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Mijn vader, hij was er weer bij, probeerde nog te zeggen dat het goed zou komen. Maar ik kon het niet aanzien en heb op de stadiontrap naar de uitgang geluisterd naar gejuich en gevloek. Ik kreeg een kort verslag van mijn vader en pas dagen later – YouTube of apps van rechtenhouders waren er nog niet – zag ik de herhaling met de missers van Davids en Silooy.

Kort na Rome bleek mijn vader longkanker te hebben. Hij heeft het nog dapper lang volgehouden, maar dit is de eerste finale dat ik het echt zonder hem moet doen. Ik neem hem mee in mijn hoofd en mijn hart naar mijn finale nummer vijf, die ouwe DWS’er die uit vaderliefde drie Ajax-finales meemaakte.

Eric de Jager