Abe Lenstra nam eind jaren vijftig een plaatje op. Op de A-kant stond een bewerking van de voetbalklassieker Geen woorden, maar daden, op de B-kant het in de vergetelheid geraakte nummer: Bij ons in Holland. Daarop is de volgende tekst te horen:

Ze stuurden me een blanco cheque, ik streek eens langs mijn kin.
Want op een heel klein briefie stond: vul zelf die cheque maar in.
Toen zei m’n vrouw heel laconiek: “Vraag dan maar een miljoen!”
Maar ik zei: “Nee, zeg ben je gek, stel voor dat ze het doen.”

Willem II”er Jan van Roessel in Oranje.

De songtekst gaat terug naar 1949. De club die de cheque stuurde was het Italiaanse Fiorentina. Lenstra stond hiermee niet op zichzelf. Begin jaren vijftig probeerden meerdere Italiaanse clubs voetballers uit Nederland te halen. Willem II’er Jan van Roessel werd in 1952 na het behalen van het kampioenschap benaderd door Sampdoria. Een zomer eerder kon Noud van Melis, de spits van Eindhoven, rekenen op belangstelling van Torino. De zeventienjarige Piet van der Kuil kon als speler van V.S.V. al een contract bij Fiorentina tekenen. Zijn ouders vonden hem iets te jong. Het meest concreet was misschien wel Spartaan Rinus Terlouw, die na interesse van onder andere het Italiaanse Como zei: “Laat ze maar eens een bod doen.” Het is slechts het topje van de ijsberg. De kranten eind jaren veertig, begin jaren vijftig stonden bol van voetbalgeruchten over Nederlandse amateurs die in Italië prof konden worden.

In totaal maakten maar vier Nederlandse voetballers in die jaren de overstap naar de Laars. Bekendste exponent was natuurlijk Faas Wilkes. De Rotterdammer was bijna veertig jaar lang topscorer aller tijden van Oranje en de beste Nederlandse voetballer van zijn generatie. André Roosenberg was vooral in Friesland bekend. Tijdens zijn verblijf in Italië schreef hij in een lokale Friese krant over zijn avonturen daar en hoe anders het voetballeven was bij Fiorentina dan bij VV Sneek. Wim Lakenberg was in Nijmegen een lokale beroemdheid en eenmalig international van Oranje. Hij maakte van NEC de overstap naar Blauw-Wit in Amsterdam om vervolgens zuidwaarts te gaan. Tussen 1950 en 1952 speelde hij voor Pro Partio Calcio. De meest onbekende speler van het kwartet is Karel Voogt. Een man die voor de Eerste Wereldoorlog al in België speelde en zelfs werd geselecteerd voor de Rode Duivels. Zijn Nederlandse identiteit gooide echter roet in het eten. Een klein portret van hem staat in de nieuwe Staantribune.

Deze vier heren waren pioniers in Italië. Ver voor hun was er ook al een Nederlander actief als voetballer voor AC Milan. Maar deze François Menno Knoote speelde in de voetbalprehistorie (1905-1906) toen er werd getwijfeld of trainen valsspelen was en over geld krijgen voor voetbalprestaties niet eens werd nagedacht. Het kwartet hierboven beschreven ging juist voor de duiten over de Alpen en lieten er wisselende indrukken achter. Voor Roosenberg en Lakenberg had het Italiaanse avontuur bij terugkomst in Nederland ook nadelen. Ze werden slachtoffer van de worsteling die de KNVB had met profvoetbal in eigen land. Maar dat was het einde van het avontuur. Het begin is even interessant. Dat startte in 1946 met twee vrachtwagens voor transportbedrijf Wilkes uit Rotterdam.

Faas Wilkes
1949 – 1952 Internazionale
1952 – 1953 Torino

“Roken is slechter dan bier voor een voetballer”, dit citaat van Faas Wilkes werd als kop van een krantenartikel gebruikt. De schrijver van dagblad De Waarheid, haalt de zinsnede in het artikel nog eens aan en schrijft daarna: “ondanks de aanwezigheid van legio verleidelijke Maastrichtse bierbrouwerijen, laat Faas zich nimmer een pint van dat schuimende vocht inschenken.” Het schetst een prima beeld van de voetbalbeleving van Wilkes.

De Rotterdammer is vanwege zijn geliefde sport in de Limburgse hoofdstad terechtgekomen. In het jaar na de bevrijding is hij als speler van Xerxes de beste voetballer van Nederland. Een Nederland waar profvoetbal uit den boze is. Er is één manier om dispensatie te krijgen en voor een andere club te spelen zonder een jaar te moeten wachten. Dat is als je vanwege je werk moet verhuizen. MVV biedt daarom twee vrachtwagens als beide zoons Wilkes voor de Maastrichtenaren gaan spelen. Vader Wilkes heeft namelijk een transportbedrijf. De familie hapt toe en er wordt een dependance geopend in het zuiden. Faas en zijn broer Leen rijden elke dag met goederen voor de wederopbouw vanuit Maastricht naar Rotterdam en trainen en spelen ondertussen in de avond oefenwedstrijden met Us MVV’ke. De KNVB met de onvermoeibare slippendrager van het amateurisme Karel Lotsy voorop steekt er echter een stokje voor. De broers worden voor een jaar geschorst vanwege het vrachtwagendebacle. Het lijkt teveel op betaald voetbal. De gebroeders zien een jaar zonder voetbal niet zitten en ze kopen de vrachtwagens van MVV en gaan weer spelen voor Xerxes.

Bondscoach Jesse Carver met Faas Wilkes, Abe Lenstra en Kees Rijvers vlak voor de Olympische Spelen van 1948. Met Carver zou Wilkes later samenwerken bij Torino. 

Wilkes wilde van het voetbal graag financieel beter worden. Hij was klaar met de KNVB en het amateurisme in Nederland. Later in zijn carrière blikt hij erop terug. “Een ongezonde amateuristische voetbalmaatschappij’’, noemde hij de vaderlandse competitie. Om vervolgens verder te gaan: “In Nederland gebeurde alles in een sfeer van geheimzinnigheid. Stiekem werd er onderhandeld over de vetste baantjes en de mooiste zaken. In het buitenland boden clubs openlijk tegen elkaar op met enorme transferbedragen.”

Ondertussen liepen de stadions vol voor hem, de clubs ontvingen recette en de KNVB verdiende aan de interlands die hij speelde. Hij zag hier amper iets van terug en dit stuitte hem tegen de borst. Toen Nederland op 27 november 1946 kansloos werd afgedroogd met 8-2 door de Engelse voetbalprofs waren de Britten echter lovend over de Rotterdammer. ‘Faas Wilkes is goed genoeg om voor elke Engelse eersteklasser te spelen’, kopte een Engelse krant. Een krantenartikel dat hij bewaarde en boven zijn bed hing. Daarnaast merkte hij nog iets op. Waar de Engelsen voor het spelen van een interland twintig pond kregen, werden de Nederlander afgezet met één pond die ze mochten besteden aan een souvenir. Het contrast kon niet groter zijn.

Arsenal
Enkele dagen na de wedstrijd in Engeland werd er in Rotterdam een brief bezorgd die was ondertekend door ene Van Dijke. Of Faas geen zin had om een week in Londen langs te komen om wedstrijden te bezoeken en managers te spreken. Onder druk van zijn familie en vrienden in de kroeg hapte de midvoor toe en sprak hij af met de onbekende Van Dijke. Omdat hij het niet helemaal vertrouwde legde hij ondertussen ook contact met Bas Vonk een oud Xerxes-speler die in Londen vertoefde. Zijn wantrouwen bleek terecht.

Op station Liverpool street ontmoette hij Van Dijke en Wilkes omschrijft hem als volgt: “Als ik een meisje was geweest, zou ik gedacht hebben aan een handelaar in blanke slavinnen. Wat ik nu dacht weet ik niet, maar ik was gewoon bang voor hem.” Gelukkig was er nog een tweede man die hem op het treinstation opwachtte. Het bleek een oude bekende te zijn; Jimmy Wilson, de oud-trainer van Sparta. Die gaf hem in een gesprek onder vier ogen te kennen dat Van Dijke de masseur van Derby County was en ook in spelers handelde.

De volgende dag gingen ze naar Arsenal – Chelsea en werd op verzoek van Wilkes Bas Vonk ook uitgenodigd. Van Dyke zei ondertussen dat hij een ontmoeting met Arsenal-manager George Alison had geregeld. Wilkes: “Ik gaf Vonk een ellenboogstoot en zei tegen Van Dijke dat ik er wel wat voor voelde en hem morgen zou bellen. Dat heb ik nooit gedaan, alleen om van hem af te zijn.”

Ondertussen werd in de Nederlandse pers het gerucht dat de nationale voetbalster Faas Wilkes was uitgenodigd bij Arsenal uitgebreid besproken. De Londense club was dankzij de illustere jaren dertig de grootste Engelse voetbalnaam in ons land. Reden voor de vaderlandse pers om met hun Londense verslaggevers een klopjacht op de dribbelaar te organiseren. Ondertussen namen de Britse collega’s de geruchtenstroom over. De tabloids kregen een woedende Arsenal-manager aan de lijn die een hele dag had gewacht op die verdomde Nederlander en wat hij zich wel niet in zijn kop haalde door niet op te komen dagen.

De Nederlandse pers berichtte halverwege januari 1947 uitgebreid over het Engelse avontuur van Wilkes

Een dag later publiceerde persbureau Reuters dat Wilkes voor vijftigduizend gulden naar Charlton Athletic zou gaan. Een teken dat geruchten feiten waren geworden. Heel Nederland stond op zijn kop en de familie Wilkes in Rotterdam werd platgebeld. Er was één probleem; Faas had tijdens een wedstrijd alleen gesproken met de manager van de befaamde Londense club: er was geen contract getekend. Dit omdat de Xerxes-speler door de Engelse wetgeving alleen op amateurbasis aan de overkant van de plas kon spelen. Iets waar hij niets voor voelde. Zo kwam hij na een week Londen terug in Hoek van Holland waar het vaderlandse sportjournaille hem opwachtte. Hij ontkende alle geruchten over contracten bij Arsenal, Charlton Athletic en zelfs Huddersfield Town en Derby County. De rust keerde terug.

Ondanks dat de flirts met MVV en de Engelse clubs op een debacle uitliepen, werd Wilkes er naar eigen zeggen  een ‘eerzuchtig mannetje van’. Dat werd nog eens versterkt toen hij werd uitgekozen in het team onder de naam ‘Rest of Europe’ (later bekend als Europe XI). Dit team zou ter ere van de herintreding van de vier Britse voetbalbonden bij de FIFA een oefenwedstrijd spelen tegen het Britse elftal. Na een selectiewedstrijd voor zestigduizend toeschouwers in Rotterdam werd hij samen met de Zweedse sterren Gunar Grenn en Gunnar Nordahl gekozen in de voorhoede. Omdat onder andere Spaanse, Oostenrijkse en Hongaarse sterren ontbraken, hadden de Britten een makkelijke dag. Het werd onder het oog van 140.000 toeschouwers op Hampden Park 6-1 voor de eilandbewoners. Het duel versterkte wel het zelfbeeld van Wilkes dat hij met de Europese top meekon en dat hij betaald voetbal wilde spelen. Zeker toen zijn medespelers allemaal tweehonderd pond als bijdrage voor de wedstrijd kregen en hij dit door de KNVB moest laten omzetten in een cadeau, omdat betaling voor bondsleden nog altijd ongepast was.

Jan van Beveren
Twee jaar later, in januari 1949 valt er een brief uit Italië op de deurmat van de Argonautenstraat 34 in Amsterdam-Zuid. Terwijl de nog niet eens een jaar oude baby Jan aan een stuk door huilde, las zijn vader Wil van Beveren het schrijfsel uit Zuid-Europa. Van Beveren senior was na zijn hardloopcarrière -waar hij onder andere op de Olympische Spelen van Berlijn uitkwam- de journalistiek ingerold. Hij had een aardige talenknobbel en correspondeerde met verschillende collega’s waaronder Italianen. In de brief werd aan hem gevraagd of hij wilde bemiddelen tussen de Italiaanse profclubs en de Nederlandse voetballers Lenstra en Wilkes. Van Beveren stuurde een briefje terug met daarin samenvattend de tekst: ‘Dat hij niet ging meewerken om de beste voetballers naar het buitenland te laten gaan’.

Ondertussen typte hij – journalist als hij was – een klein artikeltje over de belangstelling van de Italianen voor de twee vaderlandse toppers. Het hek was van de dam. Kranten berichtten weer massaal; er werden tekenbedragen verzonnen, nieuwsbladen betichten elkaar van onjuiste berichtgeving en verschillende clubs werden genoemd. Wilkes wijs geworden door zijn week in Londen hield zich stil en liet de media uitrazen. Wel werd er door wederom buitenlandse belangstelling een oud vlammetje aangewakkerd. Profvoetballer, dat leek hem wel wat. Wat volgde wat een turbulent half jaar.

Wilkes in het najaar van 1948, herstellend van een blessure die hem een aantal maanden aan de kant hield.

Na een blessure kwam hij aan het einde van de winter terug in het eerste team van Xerxes. De ruime voorsprong die ze hadden op SVV was tijdens zijn afwezigheid een achterstand geworden en onder zijn leiding werd de achtervolging ingezet. Ondertussen had hij tijdens zijn revalidatie met kerst in het Kurhaus de zeventienjarige Mona Brakke ontmoet met wie de 25-jarige een relatie aanging. Daarnaast lieten de Italianen zich niet afscheppen met het kattebelletje van Van Beveren. Wilkes moest binnen een paar maanden enkele belangrijke beslissingen nemen.

Xerxes redde het niet, het werd tweede in de competitie en zag een kruis door het seizoenstoetje gaan. SVV speelde in een volle Kuip voor zestigduizend man de kampioenswedstrijd, zonder dat er een dubbeltje werd betaald aan de spelers. De technisch directeur van Internazionale Giulio Capelli kon er met zijn hoofd niet bij. Het was een stellingname die Wilkes onderschreef. Zich zo uitsloven en zo weinig ervoor terugkrijgen. Capelli zou het seizoen erop zijn trainer in Milaan zijn en onder hem kreeg hij te maken met de wetten van het professionele voetbal.

GreNoWi
Voor het zover was, ging er een periode van onderhandelingen aan vooraf. AC Milan had hem twee jaar eerder zien spelen op Hampden Park in een voerhoede met de Zweden Grenn en Nordahl. Het leek de Milanezen mooi als dit drietal de nieuwe voorhoede van de Rosseneri zou worden. Dat het in plaats van GreNoWi, GreNoLi werd kwam dankzij het zakelijk instinct van Wilkes en de charme van Internazionale.

De belangrijkste horde had Wilkes al genomen voordat de onderhandelingen eenmaal begonnen. Op een lentedag ongeveer drie maanden na hun eerste ontmoeting, vroeg hij in een parkje voor de HBS waar zijn vriendin Mona op zat, om haar hand. Het was in het Nederland van spruitjeslucht en gepredikte zedelijkheid nodig om zijn profcarrière een kickstart te geven. Wilde hij Mona binden dan kon dat alleen via het huwelijk. Na Mona gaf ook haar vader toestemming en zo was de belangrijkste drempel genomen.

Huwelijk van Faas Wilkes en Mona Brakke vlak voordat ze naar Italië vertrokken.

De uiteindelijke transfer van Wilkes naar Internazionale geeft een mooi inkijkje in het het voetbal van 1949. Zoals gezegd zat AC Milan op de eerste rij voor de krabbel van Wilkes. Ondertussen had de Rotterdammer journalist Van Beveren in de hand genomen en de vader van de later zo beroemde keeper was dus een zaakwaarnemer avant la lettre. Samen besloten ze de onderhandelingen op te schorten tot na de wedstrijd Nederland – Frankrijk eind april. Ondertussen had ook Internazionale kenbaar gegeven dat ze met Wilkes wilden praten.

Het Nederlands Elftal gaf een demonstratie weg en versloegen les Bleus met 4-1. Milan wilde hem na de galavoorstelling meteen een contract voorschotelen maar Wilkes zei resoluut “Nee”. Zijn ervaringen met MVV, de Londense clubs en optredens op het internationale podiums maakten een gelouterde man van hem. “Grote namen deden me niet zoveel meer’’, zou hij later laten optekenen. “Inwendig vond ik het wel fijn. Dan zei ik tegen mijzelf ‘Faas, wat geweldig dat je zo’n grote voetballer bent geworden dat ze vanuit Italië komen om je te vragen of je voor ze wilt spelen.’ Maar ik zou het nooit laten merken. Ik uit me niet makkelijk.”

Internazionale liet een positievere indruk bij hem achter. Wellicht op de manier dat ze contact met hem zochten. Dat was eerder door het stugge handelen van Van Beveren verwaterd en Wilkes had juist aan hem gevraagd of hij de lijn met de blauwzwarte club van Milaan wilde versterken. Na, het nee aan het adres van AC Milan moest Wilkes anderhalve maand wachten op een belletje van Van Beveren. Maar toen zat hij begin juni aan de onderhandelingstafel.

Het waren de kleine details die Wilkes overhaalde. Hij reed met de Italiaanse afvaardiging naar zijn advocaat om te praten over het contract en moest onderweg tanken. De Italianen schoten het bedrag dat hij kwijt zou zijn ruim voor. Het was de bos bloemen die er werd gekocht voor zijn moeder, Wilkes’ grootste fan. Het was de vergelijking tussen hem en Silvio Piola die ze maakten. Maar natuurlijk telden ook de keiharde pegels die ze gaven. Zeventigduizend gulden tekengeld verspreid over enkele jaren, een dak boven het hoofd en een  maandsalaris dat zou uitgroeien tot een riant bedrag. Een klein fortuin zo vlak na de oorlog. Wilkes tekende uiteindelijk een voorcontract bij de Nerazzurri met daarin de belofte als hij naar Italië zou gaan dat hij zou spelen voor Internazionale en geen andere club.

Met zijn aanstaande en een tolk vloog hij naar Milaan om te praten met de clubleiding en de stad te bekijken. Ze lieten zich overweldigen door de stad. “Men praat over Londen en Parijs, maar geef mij Milaan maar”, zouden zijn woorden zijn. Hij had in de stad zijn tweede liefde gevonden. Dat begon al toen de aanvoerder van Inter hoorde dat Wilkes en zijn Mona gingen trouwen. Aldo Campatelli liet door zijn vrouw een bruidsjurk maken die enorm duur was en Wilkes werd langzaam maar zeker ingepalmd. Hij tekende uiteindelijk zijn contract en na in Rotterdam te zijn getrouwd ging hij op 8 augustus 1949 vanaf Schiphol zijn profavontuur tegemoet.

Rouwkaart
“Mona een rouwkaart’’, schalde Wilkes door zijn Milanese appartement. De dribbelaar had zijn vrouw nodig om de tekst te lezen. Ze had in de drie maanden dat het jonge echtpaar in Italie woonde zichzelf de taal machtig gemaakt. Toen ze de kaart las barstte ze in lachen uit. Het was een uitnodiging van de tifosi van AC Milan voor de spelers van Inter om die zondag naar hun eigen begrafenis te komen. Wilkes kon er zelf minder mee lachen. Een lugubere uitwassing van supportersdom vond hij het. Maar er werd hem wel meteen kenbaar gemaakt wat er van hem verwacht werd.

De maanden daarvoor waren voorbijgevlogen. Er werd hem beloofd dat duizenden supporters hem zouden opwachten. Echter, toen de nieuwe vedette aankwam was het vliegveld leeg. Er was een verkeerde tijd gecommuniceerd. Een kleine slag in het gezicht van de trotse Faas. Daarna was er ook nog een probleem met de huisvesting. Italië was net als de rest van Europa in wederopbouw en er was niet zomaar een huis voorradig. Ze werden in een achterafbuurt weggestopt.

Internazionale in het seizoen 1949-1950

Ook de kennismaking met voetbal zorgde voor cultuurschok. Het voetbal in Nederland was zo vlak na de oorlog afgedaald naar een bedenkelijk niveau, terwijl Italië één van de beste competities van Europa had. Wilkes klaagde over die eerste dagen onder een tergende Italiaanse zon: “Bijna alles was conditie, baloefeningen kregen we maar weinig. Met het klimaat had ik de meeste moeite. Het was snik en snikheet. Ik viel er kilo’s vanaf.”

En toen was er de ochtend voor het duel met AC Milan. De spelers van Internazionale zaten aan tafel toen aanvoerder Campatelli opstond en zei dat hij naar voorzitter Carlo Masseroni en manager Cappelli ging om extra geld op tafel te krijgen. Volgens Willkes ontstond er een echt Italiaans twitstgesprek in de bestuurskamer. Dertien jaar later vertelde de dribbelaar er in het ‘Vrije Volk’ nog vol passie over:

“Masseroni kauwde op een grote Toscaanse sigaar. ‘Quanto?’, vroeg hij met de sigaar in zijn mondhoek. Hij leek op dat moment op een gangster uit Chicago. Hij vertrok geen spier. ‘Cento mille Lire, signore’, zei Campatelli beleefd met een buiging. Masseroni zei niets en kauwde en rookte. Cappelli was de eerste die wat zei: ‘honderduizend lire is gewoon oplichting, we denken er niet over’. Campatelli nam het gesprek weer over: ‘vergeet niet dat we tegen Milan spelen. We zijn beledigd. Ze hebben ons uitgenodigd voor onze eigen begrafenis’. ‘Zestigduizend en geen cent meer’, was het antwoord. ‘Te weinig heren. Ze spelen met het Olympisch binnentrio (GreNoLi dat met Zweden goud haalde in Londen 1948). Tachtigduizend’. Het werd tachtigduizend.” Omgerekend een maandsalaris.

Internazionale-voorzitter Carlo Masseroni

Wat volgde was een van de meest spectaculaire uitvoeringen van de Derby della Madonnina aller tijden. Milan sloeg al snel toe en stond binnen tien minuten op 2-0. Wilkes gaf nog wel een assist voor de aansluitingstreffer, maar al snel stond het 4-1. Het publiek in San Siro werd gek en Inter kreeg vleugels. Met 4-3 werd de rust gehaald.

De voorzitter kwam de kleedkamer binnen en aanvoerder Campatelli zei: “maak er honderdduizend van en we winnen.” Masseroni schold, liep blauw aan en Wilkes dacht even dat hij van zijn stokje ging. Maar uiteindelijk beloofde hij bij een overwinning het volle pond. Die werd gehaald. Inter won uiteindelijk met 6-5 en de spelers waren halfgoden geworden.

Doodskist
Hoe vurig de Italianen de overwinning vierden in vergelijking met Nederlanders merkte de Rotterdammer die avond. De tifosi deden hun naam eer aan. Wilkes vertelde er dertien jaar later – in 1962- nog vol vuur over. “Een troep supporters had een doodskist laten komen. Daarop stond in reusachtige letters: ‘het lijk van Milan, bezweken onder de mokerslagen van Inter’. De tifosi hief lijkzangen aan en hield toortsen in de lucht. Het was luguber, maar hoorde bij de traditie.”

Die avond ging het feest verder en Wilkes voelde zich toen een echte ster. De Rotterdammer: “er werd een buffet aangeboden en twee agenten hielden de tifosi op afstand. Ze wilden zelfs de knopen van onze jassen trekken om die als souvenir te houden. De supporters bleven voor de deur staan en riepen onze namen ‘Amadei, Amadei’, ‘Lorenzi, Lorenzi’ en toen ‘Wielkes., Wielkes’, ik moest het balkon op. De mensen klapten en klapten en bleven mijn naam roepen. Ik voelde een huivering over mijn ruggengraat lopen die langzaam naar mijn knieën ging. Ik was gelukkig, vreselijk gelukkig.”

Amedeo Amadei na de 6-5 overwinning op AC Milan

Wilkes leerde het Italiaanse leven snel kennen en waarderen. De voorhoedespeler had daarvoor dan ook een tolk meegenomen die door de Italiaanse voetbalclub werd betaald. Deze Theo Cassadei – normaal ober in een Amsterdams restaurant- leerde Wilkes eten, drinken en denken als een Italiaanse superster. Het begon al bij de eerste keer dat er spaghetti op zijn bord lag. “Niet snijden Faas”, zei hij. “Dat staat hier gelijk aan vloeken.”

Ook het verkeer in de Laars, kende na een tijdje geen geheimen meer voor Wilkes. Wilkes speelde het spelletje van superster mee. Wanneer een agent hem aanhield, riep Cassadei meteen: “Wilkes van Internazionale.” Ze mochten doorrijden. Toen de hoofdpersoon een keer alleen door de stad reed en werd aangehouden hielp de gevleugelde tekst niet. De agent van dienst was een AC Milan-supporter en de Rotterdammer mocht meteen aftikken. Iets waar zijn medespelers hem om uitlachten. “We hebben daar iemand voor hier. Gewoon het bonnetje vragen, hier afgeven en het wordt geregeld.”

Wilkes koopt hier
Na zijn eerste seizoen wist Wilkes wat er van hem verwacht werd. Hij moest zich tonen in nachtclubs omdat supporters een ster in hem zagen en als filmsterren daar kwamen, waarom voetballers dan niet. Zijn garderobe bestond uit enorm veel pakken, nog meer dassen en 45 paar schoenen. Bijna allemaal gratis. Alleen omdat hij soms even op de foto ging en een uitbater dan reclame kon maken met ‘Wilkes koopt hier’. Restaurant gaven korting of flessen drank gratis. De eenvoudige verhuizer uit Rotterdam was een god geworden in Milaan. Maar bovenal ook nog vader van een zoon; Faas. Door bemiddeling van medespelers ging het jonge gezin naar een betere wijk. Gezinsgeluk stond voorop voor hem. 

Ook voetballend ging het van een leien dakje. ‘’Overal waar ik kwam hoorde ik ‘Wielkes’, ‘Wielkes’”, zei hij aan het einde van zijn carrière. “Kranten gaven speciale fotoreportages uit over mijn dribbel die ik daar geperfectioneerd had.” In het eerste seizoen werd hij tweede achter Juventus. “Mijn tweede seizoen was nog beter”, zei hij. ‘”Waarschijnlijk het beste uit mijn carrière.” Wilkes eindigde dan ook hoog op de topscoorderslijst en moest de titel op de slotdag aan AC Milan afstaan. Het zat Wilkes dwars.

Wilkes als speler van Internazionale

Door het mislopen van de landstitel had hij een klap gekregen.  Hij wilde weg; het liefst naar Rome of Napels. De Italiaanse stad waar hij na Milaan ook verliefd op was geworden. Met een transfer was daarnaast ook geld te verdienen. Toen kwam Helenio Herrera om de hoek kijken. De beroemde Argentijn was op dat moment trainer van Atletico Madrid en wilde Wilkes naar de Spaanse hoofdstad halen. Wilkes ging overleggen met Inter-baas Masseroni en kwam hierdoor in een spagaat terecht.

In eerste instantie dacht Masseroni dat Wilkes een contractverbetering wilde. Toen hij kenbaar maakte dat er interesse was van een club uit het buitenland leek het alsof Masseroni wilde meewerken. “”Met een transfer naar een Italiaanse club werken we niet mee. Maar naar Colombia wel”, was het antwoord dat Wilkes kreeg. Geen gekke gedachte van de voorzitter. Want in het Zuid-Amerikaanse land was een competitie opgezet waar nog veel meer te verdienen was dan in Europa. Wilkes zei dat het ‘geen Colombia was, maar een Europees land’ en pleegde vervolgens overleg met Herrera.

Hij vertrouwde de oefenmeester van Atletico toe dat Inter wilde meewerken. Een voorcontract werd opgesteld en getekend. Aan Wilkes werd een ton beloofd. Het ging duizelen bij de spits en hij liep met het contract naar Masseroni. Vervolgens kregen de twee ruzie.Wilkes was een chanteur, volgens de voorzitter. “Woordbreuk kon je alleen verwachten van Italianen”, vervolgde Wilkes. “Je voetbalt voor Inter of nooit meer”, was het weerwoord van de leidsman. Toen brak er een scheldpartij met Nederlandse en Italiaanse woorden uit. “Dan nooit meer voetballen”, riep de Rottetdammer om er een einde aan te maken. Hij kwam thuis en zei tegen zijn geliefde: ”we gaan zo snel mogelijk terug naar Nederland.”

Torino
Wilkes ging verbouwereerd naar Amsterdam, waar de ouders van Mona woonden. Kranten hadden het nieuws over een overgang naar La Liga al ontvangen en vroegen waarom Wilkes in de hoofdstad van Nederland zat en niet in die van Spanje. Hij hulde zich in nevelen totdat Herrera voor de deur stond met een contract. Die eiste een transfer of schadevergoeding. Wilkes kreeg raad om niets te doen en geduldig een reactie van Inter af te wachten. Die kwam er. Eerst via brieven, toen telegrammen en tenslotte kwam trainer Capelli persoonlijk naar Amsterdam. Wilkes ging akkoord als hij nog maar een jaar contract kreeg. Zo geschiedde en Wilkes ging zijn laatste en zijn ongelukkigste jaar bij de blauwzwarten in.

Een schop op zijn knie in een van de eerste wedstrijden van het seizoen deed hem sukkelen. Eigenlijk onverantwoord, werd hij, wanneer het maar eventjes kon toch opgesteld. Dit zou later in zijn carrière nog parten spelen. Het seizoen liep uit op een debacle. Inter werd weer geen kampioen en Wilkes speelde amper wedstrijden. Hij kreeg een dochter Antoinette, maar de familieman voelde zich desondanks niet geheel gelukkig in de tweede stad van Italië. Toen kwam Torino met een contract.

Inter werkte dit keer wel mee aan een transfer. Wilkes moest de spil worden in een nieuwe elftal. Dat team moest worden opgebouwd nadat een vliegtuigramp drie jaar eerder het grote Torino met een klap op een rots had weggevaagd. Ze begonnen voortvarend aan het seizoen en na een paar wedstrijden stonden bovenaan. Toen speelden de problemen met de knie weer op. Ook dit seizoen werd uiteindelijk een ramp. Inter pakte de koppositie over terwijl Wilkes thuis zat met een kapotte knie. Ondertussen werd in maart de watersnoodwedstrijd gespeeld en Wilkes werd opgebeld door zijn oud-ploegmakkers van Oranje. Wat wilde hij graag spelen voor Nederland, maar ook dat werd door het gewricht belemmerd. De pingelaar kwijnde weg in Turijn en wilde zijn carrière beëindigen om de droom van zijn vrouw waar te maken. Een damesmodezaak in Nederland.

Wilkes (links) als spelers van Torino

Ondertussen was Jesse Carver trainer geworden van Torino. Carver was net na de oorlog de manager van Xerxes en stond ook enkele interlands aan het roer van Oranje. Wilkes kende hem dus goed en  had veel vertrouwen in de man. Carver praatte in op zijn pupil en zorgde ervoor dat de carrière van de dribbelaar uiteindelijk met nog tien jaar werd verlengd. Inter werd kampioen en terwijl zijn oude ploegmakkers de landstitel vierde en enorm veel geld opstreken, probeerde Wilkes zich via het tweede elftal van Torino terug te knokken in het betaalde voetbal. Hij was net op tijd fit om mee te gaan met de seizoenafsluiting: een trip naar Spanje.

Daar speelde hij mee tegen Valencia. Al snel na de wedstrijd werd duidelijk dat de Spanjolen de dribbelaar wilden hebben. Torino wilde Wilkes met zijn slechte knie graag kwijt en toen Los Che aanbood om zijn contract af te kopen was de deal snel beklonken. Wilkes verliet na 107 competitiewedstrijden en 48 doelpunten de Laars en vestigde zich met zijn jonge gezin in Spanje. Toch dacht hij vaak nog verlangend terug aan Italië. Hij kreeg bij een bezoek aan Milaan altijd een speciaal gevoel. Hij was verliefd op de stad en eigenlijk het hele land. Of zoals Inter-voorzitter Masseroni een keer tegen Wilkes’ vrouw Mona zei: ”Faas is nog Italiaanser dan de Italianen.”

Beeld: gahetna.nl

Meer schitterende foto’s van Faas Wilkes in Italië in de rubriek Voetballegends in de nieuwe Staantribune!