Vitesse – Lazio Roma. Het is net 2-1 voor Vitesse geworden. De sfeer is euforisch. Het zo lang van Europees voetbal verstoken Arnhemse publiek beseft dat er nu genoten en gevierd moet worden, want het zijn, om met Evert ten Napel te spreken, wel ‘dekselse’ Italianen natuurlijk. En dus springt – op het uitvak, de Rollerside en de skyboxen na – zo’n beetje iedereen op deze klassieker: “En wie niet springt, en wie niet springt die is voor NEK!” Arnhemmers beelden zich al springend de ‘lelijke kop’ van die ene Nijmegenaar in die hoopte Vitesse te zien afgaan, maar nu woest op de rode knop van de afstandsbediening drukt. Prachtig.

Met mede-supporters heb ik het er wel eens over: jammer dat er dit jaar geen derby’s zijn. Maar de zogenaamde diehards zijn het niet met me eens: ze vinden het heerlijk, NEC in de Jupiler League. Hoewel de derby ‘De wedstrijd van het jaar is’, zijn ze NEC liever kwijt dan rijk. Overigens zeggen die diehards uit principe geen EN-EE-SSEE en geen Nijmegen. Het is ‘NEK’ of  ‘Over de Waal’, afgekort tot ‘ODW’. Nooit EN-EE-SEE dus. Die fout maakte ik vorig jaar, in de bus naar NEC – Vitesse. Ik werd na het ‘EN-EE-SEE’-zeggen direct gecorrigeerd. “Wat zei je daar, vriend? Luister. Ik leg het een keer uit. Het is NEK of ODW. Begrepen?”


Nu zou ik die fout niet meer maken, maar het was vorig seizoen mijn eerste NEC – Vitesse. Ik waande me net Wilders: de politiebeveiliging was enorm. Iets waar sommige supporters stiekem best trots op waren, denk ik. Al die politiemotoren rondom onze bussen, het werd als een eer beschouwd, een derbysieraad: deze wedstrijd telt.

Toen we het Goffertpark binnenreden, keek ik vanachter het glas naar NEC-supporters die als onrustige apen achter ons aanholden en ons met middelvingers begroetten. Een paar jongens, volgens een mede-supporter lijdend aan het ‘Syndroom van NEK’, lieten ons hun reet zien: het voelde alsof ik in de dierentuin van Marcel Boekhoorn was en in de safaribus zat. Een reet, dat geen stelde reet voor, aldus wat oudere supporters die deze wedstrijd in de jaren negentig meemaakten: toen was het traditie dat ‘onze’ bussen bij vertrek werden ‘gestenigd’.

NEC – Vitesse viel vorig jaar tegen. De verwachte heksenketel stond zo’n tachtig minuten op laag vuur, vermoedelijk omdat Vitesse als snel met 1-0 ‘Foor’ kwam en ze zich in Nijmegen niet echt vertegenwoordigd voelden door het huurlingenlegioen van toen. De fanatiekste NEC-supporter was ongetwijfeld trainer Peter ‘Hyperblabla’. Ik moest in die lauwe heksenketel denken aan Lewis Baker, die in de aanloop naar de derby door lokale media werd gewaarschuwd: “Lewis, weet je wat je wachten staat zondag! It will be a crazyhouse, Lewis. Be prepared!” Ik dacht: Lewis Baker komt uit Londen, de derbyhoofdstad van de wereld… Alsof je tegen een New Yorker in Arnhem zegt: “Look, the Eusebiuschurch. It is ninetytree meters high. Can you believe it? Ninetytree meters!”  

Wie voor Vitesse is, bewijst dat met een seizoenskaart, geel en zwarte kleding of een tatoeage, maar toch zeker ook door ‘honderd procent anti-NEKKER’ te zijn. Nee, ‘NEK’ en ‘ODW’ opnemen in je vocabulaire is niet genoeg. Je moet je liefde voor Vitesse betuigen via een mooi verhaal over hoe ver je NEK-aversie gaat.

Voorbeeldje. Mijn vrouw wilde winkelen in ODW. Zegt ze: “Schat, ken je me niet effe brengen.” Ik zeg: “Weet je wel wat je van me vraagt?” Waarop zij zegt dat ik niet zo kinderachtig moet doen. Nou, ik rijden, richting ODW. Voor de Waalbrug trap ik op de rem. Ik zeg: “Tot hier en niet verder, Truus.” Serieus? Serieus! Het regende pijpenstelen. Ze dacht dat ik een grapje maakte. “Echt niet, stomme kut! Ik zet geen voet in ODW, jong! Voor niemand.”

Zo circuleren er talloze ‘anti-NEK’ verhalen, bijvoorbeeld van supporters die beweren dat ze bij ziekte nog liever in het Arnhemse Rijnstate sterven dan in het Radboudziekenhuis in Nijmegen worden genezen. Omgekeerd is het net zo, erger misschien wel. Clubliefde moet zich in clubhaat manifesteren, blijkbaar.

En dan valt het in Arnhem en Nijmegen nog mee. Bij Ajax en Feyenoord is het veel erger. Denk aan het boek van Yoeri Kievits, waarin een Rotterdamse chirurg pocht hoe hij ‘uit liefde voor Feyenoord’ het door een politie hond gebeten been van een ‘020-er’ niet opereert maar saboteert. De chirurg vindt waarschijnlijk dat hij een onderscheiding verdient, de Gouden Mossel of zo (bestemd voor iemand die veel voor Rotterdam betekent).

Het is een logica die ik niet volg: dat je alleen voor iets kunt zijn, door fel tegen het ander te zijn. Je kunt van Nederland houden, zonder dat je tegen buitenlanders bent. Rivaliteit maakt voetbal mooier, spannender. Zeker. Maar het moet wel goedaardige rivaliteit zijn, onderdeel blijven van een spel. En een spel heeft grenzen. Ja, ik mis Vitesse – NEC en NEC – Vitesse. Niet vanwege de wedstrijden – die zijn meestal zo beladen dat ze niet om aan te zien zijn – maar vanwege de onderlinge supportersbeleving, die de laatste jaren gelukkig vooral ludiek en goedaardig is gebleven.

Bovendien, de Kleine Klassieker (waar hier een week naar toe wordt geleefd: denk aan de massaal bezochte laatste training voor de derby) is toch een gezamenlijk bouwwerk, een coproductie van NEC en Vitesse-fans. Dus hoop ik – en hier maak ik me in Arnhem niet populair mee – dat NEC promoveert en we dat bouwwerk, een stukje cultureel erfgoed, volgend seizoen weer mogen betreden.