De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: Menno Pot (de Volkskrant, Parool).

Mijn favoriete Serie A-voetballer is een man die ik nooit zag spelen. Geen hele wedstrijd, geen samenvatting, geen sneeuwig doelpuntje op YouTube, niks.

Voor welke clubs hij speelde, zoek ik nú op op Wikipedia: Cremonese, Torino, Monza, Atalanta Bergamo en opnieuw Cremonese. Alleen met Torino en Atalanta speelde hij heel even in de Serie A: veertien keer voor Torino (1968-1970), twee keer voor Atalanta (1971-1972).

Als trainer was hij veel succesvoller en bekender. De enige keer dat ik Emiliano Mondonico – want over hem heb ik het – met eigen ogen in actie zag, was op 13 mei 1992 in de tweede UEFA Cup-finalewedstrijd tussen Ajax en Torino. In Turijn was het 2-2 geworden, in het Olympisch Stadion bleef het 0-0, waarna het Amsterdamse feest kon losbarsten. Maar wie erbij was, trekt nog altijd wit weg bij de herinnering aan die wedstrijd, waarin Ajax drie keer door het oog van de naald kroop.

Casagrande kopte keihard op de paal, een schot van Mussi hobbelde via Danny Blind opnieuw tegen de paal en pal voor tijd schoot Sordo met een soort halve omhaal tegen de onderkant van de lat. Elke Ajacied was tegen die tijd twintig jaar ouder geworden.

En dan was er nog een moment waarop heel Torino (ten onrechte) brulde om een strafschop, toen Cravero zich liet vallen in duel met Frank de Boer. En tóen deed zich dus Emiliano Mondonico’s beroemdste moment voor: aan de zijlijn greep hij in wanhoop een plastic klapstoel, die hij heel theatraal boven zijn hoofd ten hemel hief.

Wat de karatetrap van Louis van Gaal (1995) voor Ajacieden is, is die geheven klapstoel voor supporters van Toro: een cultmoment dat het tot posters en T-shirts schopte. Torino-supporters cultiveren graag hun eeuwige pech; de stoel van Mondonico symboliseert die avversità. Ik vond die Mondonico overigens maar een vervelende man. Typisch zo’n Italiaanse aansteller.

Enfin, om de trainer Mondonico gaat het hier niet. Hier moet ik uitleggen waarom de vleugelspeler Emiliano Mondonico mijn favoriete Serie A-speler aller tijden is. Dat komt zo.

Vorig jaar was ik met vrienden op bezoek bij Torino. We bezochten een thuiswedstrijd. We beklommen Superga, de berg waartegen Il Grande Torino in 1949 te pletter vloog. En we bezochten het Torino Museum, waar we ons onderdompelden in de eindeloze reeks bizarre tragedies en tegenslagen die samen de geschiedenis van de club vormen.

Dáár werd ik fan van de Torino-voetballer Emiliano Mondonico, met zijn veertien optredens in het eerste team. Zodra de gids merkte dat hij met Ajacieden van doen had, belde hij de dochter van Mondonico, die op haar beurt haar vader belde, op zijn berg buiten Turijn. De oude Mondonico bracht telefonisch de vriendelijke groeten over aan de vrienden van Ajax.

De gids vertelde dat Mondonico als speler al een een cultheld was, vooral omdat hij (en nu komt het) zich ooit met veel misbaar van het veld liet sturen omdat hij het daaropvolgende weekend per se naar een concert van The Rolling Stones wilde.

Dan ben je wat mij betreft dus de ongezien beste Serie A-voetballer aller tijden. Zo simpel is dat.

Menno Pot