Zeventig jaar geleden, op 15 augustus 1948, rolde er voor het eerst een bal in een Colombiaanse profcompetitie. Een paar maanden eerder werd met de moord op oppositieleider Jorge Eliécer Gaitán op lugubere wijze het startschot gegeven voor deze bijzondere voetbalcompetitie. Een competitie waarin de eerste jaren Europese vrijbuiters, Zuid-Amerikaanse wereldsterren en listige voetbalbobo’s ervoor zorgden dat het beste clubvoetbal ter wereld zich afspeelde in een door burgeroorlog verscheurd land. Maar hoe kwam het dat een land dat voor 1948 niet eens een profcompetitie had, drie jaar later bijna alle Zuid-Amerikaanse voetbalsterren binnen de landsgrenzen had?

Afgelopen oktober waren er tachtig minuten verstreken tijdens het WK-kwalificatieduel tussen Peru en Colombia. Sterspeler Radamel Falcao van de Colombianen keek naar het scorebord en zag dat het 1-1 stond. Hij kende de uitslagen op de andere velden en liep naar zijn Peruviaanse tegenstanders toe. Deze tussenstand als einduitslag zou voor beide landen perfect zijn. Colombia kon zich opmaken voor het wereldkampioenschap terwijl Peru play-offduels mocht spelen. Met de uiteindelijke 1-1 eindstand had het er alle schijn van dat er een salonremise was afgesproken tussen de twee Zuid-Amerikaanse teams. In de Latijns-Amerikaanse media werd al snel gesproken over het ‘pact van Lima’ naar de stad waarin de wedstrijd werd gespeeld. Met de term ‘pact van Lima’ werd onbedoeld gerefereerd aan het ‘Pacto de Lima’ van oktober 1951. Toen werd er besloten dat de FIFA-schorsing aan het adres van Colombia werd opgeheven mits de profbond van het land een einde maakte aan El Dorado, de bijnaam van de profcompetitie in het land.

La Violencia
Toen Mariano Ospina Pérez in 1946 aan de macht kwam, werd het onrustig in Colombia. Zijn conservatieve regering leidde een periode in die bekend werd als La Violencia. Een term die ook zonder vertaling een lugubere uitwerking heeft. Met de moord op de linkse politicus Gaitán op 9 april 1948 ging La Violencia zijn meest gewelddadige fase in. Dit zette het gehele land in brand en zou een tienjarige burgeroorlog inleidde waarin honderdduizenden mensen de dood vonden. In de wanhoop om de problemen op te lossen, werd er gezocht naar een middel om de pijn te verzachten. Dat werd gevonden in voetbal.


Het Colombiaanse voetbal was tot de zomer van 1948 onderverdeeld in een verzameling regionale amateurcompetities. Aangewakkerd door een desperate regering konden de voorstanders van profvoetbal hun gang gaan. In minder dan 130 dagen na de fatale schoten op Gaitán ging de Dimayor (profcompetitie) van start. Het hielp. Eens per week was het geweld even weg uit de straten en werd het land tijdelijk verdoofd. Het was echter geen oplossing voor de binnenlandse problematiek.

Achttien weken na de start van de eerste profcompetitie werd Santa Fe kampioen. Het is een klein triviaal feitje, maar zorgde er uiteindelijk voor dat de competitie haar bijnaam El Dorado kreeg. De vooraf torenhoge favoriet Millonarios werd namelijk kansloos vierde en dit zorgde ervoor dat er binnen de club maatregelen werden genomen. Millonarios was de speelbal van de elite van Bogota. Er was enorm veel geld voorradig om een topteam te smeden. Binnen twee jaar ontwikkelde zich dan ook een elftal dat als bijnaam Ballet Azul (het blauwe ballet) kreeg. Toen de profcompetitie van start ging, speelde de club nog in het wit. Maar om de verbondenheid met de machthebbers aan te geven, hulde de club zich in het blauw, de kleur van de conservatieve regering. Voor het ballet op het veld had de club het geluk dat de Argentijnse profcompetitie in een crisis verkeerde.

Di Stéfano
De spelersbond aldaar stond tegenover de plaatselijke voetbalautoriteiten en ze hadden twee belangrijke eisen: een minimumloon en contractvrijheid. Het Argentijnse voetbal kwam hierdoor in een spagaat. De bonden en clubs wilden niet toegeven, maar de inkomsten (het voetbal) lagen door stakingen stil. Op dat moment sloeg Alfonso Senior, voorzitter van Millonarios, toe. Als eerste werd Carlos Aldabe als speler/manager aangesteld. Met hem hadden ze een belangrijk springplank tussen de Colombiaanse en Argentijnse voetbalwereld te pakken. Via Aldabe konden ze meteen de grootste vis uit de vijver van Buenos Aires vangen: Adolfo Pedernera. Hij was op dat moment een van de beste voetballers ter wereld en zijn faam was wijdverspreid. Het was ook een dertigjarige speler die in een door stakingen verscheurde competitie zat en zo tegen het einde van zijn carrière wel wat meer wilde verdienen. Met enorme tekenbedragen en een dito salaris werd hij losgeweekt uit Argentinië. Zijn presentatie aan het publiek in de zomer van 1949 leverde door recette al veel meer geld op dan hij ooit zou kosten. De ploeg uit Bogota had goud in handen.

Pedernera was een klasse apart in de Colombiaanse competitie. Met zijn kwaliteiten jaagde hij tegenstanders angst aan en medespelers konden niet mee met zijn spel. Binnen enkele weken werden er dan ook landgenoten van hem gehaald om het kwaliteitsverschil binnen het elftal wat draaglijker te maken. Van de Argentijnse topclub River Plate werden twee internationals gehaald: de verdediger Néstor Rossi en een drieëntwintigjarige aanvaller met de naam Alfredo Di Stéfano (foto boven in shirt Argentinië). De goudkoorts was officieel begonnen.

Andere clubs lieten niet op zich wachten en er werden nu vanuit heel Zuid-Amerika spelers gehaald. Het verhaal gaat dat Deportivo Cali een vliegtuig naar Peru stuurde om veertien spelers op te halen. Op de terugvlucht zat de halve Peruviaanse selectie in het voertuig. Een andere club, Deportivo Pereira, haalde weer een handvol Paraguayanen naar Colombia. Langzaamaan werd de competitie sterker en sterker. Op een gegeven moment speelden bijna alle spelers van de nationale elftallen van Paraguay en Peru in de Colombiaanse competitie

Vrijhaven
De clubs waar de spelers eerder onder contract stonden, zagen dit met lede ogen aan. De beste spelers vertrokken zonder dat ze ook maar een klein bedrag aan transfervergoeding terugzagen. Dit was tegen het zere been van de Argentijnse voetbalbond en samen met de bonden van Paraguay en Peru dienden ze een klacht in bij de FIFA. De mondiale voetbalfederatie honoreerde de klachten en zowel de Colombiaanse profbond als het nationale elftal werd op 25 oktober 1949 geschorst. Dit zorgde ervoor dat Colombia een vrijhaven werd zonder FIFA-reglementen.

Hierdoor kon El Dolrado ondanks alle excessen gloriëren. Dit had ook te maken met de regering die de organisatoren geen strobreed in weg legde. Visa aan voetballers werden zonder problemen afgegeven, witwassen van geld werd getolereerd en de meest gunstige wisselkoersen werden bij uitbetaling van salaris gehanteerd. Alles om eens per week rust in het land te krijgen. Daarnaast waren de clubeigenaren merendeels rijke herenboeren, oliebaronnen of gewiekste zakenlui; dus geld was voorradig. Dat moest ook wel, want door de FIFA-schorsing konden er amper internationale vriendschappelijke wedstrijden worden gespeeld. Iets wat in die jaren een belangrijke bron van inkomsten was.

In 1950 werd er doorgepakt met het halen van topvoetballers. Deportivo Cali ruilde de Peruvianen in voor Argentijnen, de helft van de Uruguayaanse voetbalteam dat wereldkampioen was geworden in Brazilië ging noordwaarts richting Colombia en zelfs Europese voetballers maakten de overstap naar Zuid-Amerika. In Engeland was het in die tijd voor profvoetballers lang geen vetpot en spelers zaten vastgeketend aan wurgcontracten. Ze konden in Colombia met één wedstrijd meer verdienen dan wat ze in Groot-Brittannië per kwartaal kregen. Alleen Colombia bestond uit meer dan voetbal.

Matt Busby
In het ene jaar dat de van Manchester United afkomstige Charlie Mitten in Colombia voetbalde, werden er ongeveer vijftigduizend mensen vermoord. Dat hij het toch een seizoen volhield was te prijzen. Zijn landgenoten gaven er vaak al na een aantal maanden de brui aan. De enorme kloof tussen arm en rijk, de politieke spanningen, avondklokken; het continue leven in onveiligheid en gesjoemel met geld werd ze teveel. Ze vertrokken richting de evenaar als strijders tegen het onderdrukkende systeem van het Engelse profvoetbal, ze kwamen een illusie armer terug. Ook Mitten vond het geen goed idee om zijn twee dochter te laten opgroeien in een land waar geweld de macht had. De aanvaller die ‘de beste buitenspeler van El Dorado’ werd genoemd, kreeg na terugkomst in Engeland een half jaar schorsing van de FA en was uit de gratie geraakt bij Manchester United-manager Matt Busby. Hij zette zijn carrière voort bij Fulham, maar kwam nooit meer op niveau.

Ondertussen pakte het Ballet Azul de landstitels van 1949 en 1951. Het Colombiaanse publiek zag dat het team een hoog niveau van voetbal op de mat kon leggen. Met een wonderbaarlijke voorhoede van de beste mondiale spelers op dat moment hadden ze goud in handen. Ze konden zich echter niet meten met de rest van de wereld omdat de restricties van de FIFA nog steeds roet in het eten gooiden. Met het ‘Pacto de Lima’ kwam hier in oktober 1951 een einde aan. Het was echter ook de ondergang van El Dorado.

De druk op Dimayor vanuit andere voetbalbonden was sinds de beruchte koopzomers van 1950 en 1951 tot immense hoogte gestegen. Daarnaast werden ook regeringsleiders gebruikt om hun onvrede te uiten. De Colombiaanse regering kreeg te maken met internationale lobby’s vanuit andere Zuid-Amerikaanse landen. Voetbal had toen ook al enorme internationale prestige en landen konden op het internationale podium niet hun beste team opstellen. Argentinië deed bijvoorbeeld niet mee met het Wereldkampioenschap van 1950. Deels omdat ze overhoop lagen met de Braziliaanse voetbalbond waar het WK werd gehouden, maar ook omdat de topspelers in een door de FIFA verboden gebied actief waren.


Het einde
Met de Zuid-Amerikaanse voetbalbond en de FIFA werd afgesproken dat de spelers tot 1954 in Colombia mochten spelen en daarna transfervrij waren. De eerste jaren bleven veel spelers hun Colombiaanse club nog trouw. Het salaris was vaak beter dan bij andere clubs. Wel konden er amper nog nieuwe spelers worden gehaald omdat men moest voldoen aan de FIFA-eisen. De eerste scheuren werden echt zichtbaar toen Di Stéfano in 1953 naar Real Madrid overstapte. In het kielzog van de man die meermaals topscoorder en kampioen was geworden, vertrokken meer en meer spelers. Clubs lieten ze gaan om nog wat geld te vangen voordat ze in oktober 1954 definitief weg moesten.

Ondertussen liep de kwaliteit van het voetbal terug, stadions werden leger en leger en clubs konden het financieel niet meer bolwerken. Waar in 1951 achttien clubs de eindstand bepaalden, waren dat er drie jaar later nog maar tien. Met de devaluatie van het voetbal nam tegelijk het geweld tijdens La Violencia weer toe. De burgeroorlog was op zijn hoogtepunt en pas vier jaar na de laatste wedstrijd in El Dorado werd het rustig in de samenleving. Colombia was weer meer een eenheid geworden. Een eenheid die het toonde door na La Violencia weer deel te nemen aan internationale toernooien. In 1957 maakte het nationale elftal voor het eerst sinds 1949 weer haar opwachting. Vijf jaar later liet ze zich aan de wereld zien tijdens het wereldkampioenschap van 1962.

Hiermee kan ook een aloud voetbaltrivia de prullenbak in. Bij een voetbalquiz wordt de volgende vraag nog wel eens gesteld: voor welke drie landen speelde Di Stéfano? Naast Spanje en Argentinië zou Colombia het derde land moeten zijn.  De wedstrijden die hij voor Colombia speelde waren echter geen officiële interlands. Het land was door de FIFA geschorst en speelde tussen mei 1949 en maart 1957 geen officieel duel. Wel speelde hij tegen rondtrekkende  Uruguayaanse selecties of andere voetbalnomaden namens Colombia. Dit was echter een team dat als een afvaardiging van de competitie kon worden gezien en waarin onder anderen ook Engelsen en Brazilianen speelden. Het Colombiaanse nationale team bestond in die dagen wel. Maar dit was veelal een afvaardiging van amateurs die aan allerlei regionale voetbaltoernooien meedeed.