Wegens het drukke schema van FC Volendam en de redactie van Staantribune duurde het even, maar in het Kras Stadion wordt Kees Kwakman vanavond gekroond tot #Voetbaltwitteraar2017. Staantribune is aanwezig bij de wedstrijd FC Volendam – FC Dordrecht, vergezeld door DuBlanqeBogarde, de winnaar van 2015 en 2016. We spraken de tweevoudig Voetbaltwitteraar van het Jaar onlangs.

Bivakmuts
Ooit viel ik zappend in een uitzending van De Wereld Draait Door. Een man met een bivakmuts en een verdwaalde Turk spraken vurig in de camera. Ik dacht dat IS de uitzending had gekaapt. Handenwrijvend wachtte ik op de live-onthoofding van Matthijs. Maar die twee mannen bleken hun samen geschreven voetbalboek te promoten.

Die Turk was de toen net gedebuteerde schrijver Özcan Akyol, die gozer met de bivakmuts bleek DuBlanqe Bogarde, een twitterfenomeen. Geenstijl omschreef DuBlanqe ooit als éénpersoonsGeenstijl op voetbalgebied (een als narcistisch compliment bedoelde belediging natuurlijk).

Omdat ik geen twitter heb, mail ik DuBlanqe dat ik hem namens Staantribune wil interviewen. “Niet via twitter”, zet ik er bij. DuBlanqe gaat akkoord. We spreken af in een Ierse pub, ergens in Nederland. “Hoe herken ik je? Aan je bivakmuts?” vraag ik. “Aan mijn gouden kettingen”, mailt DuBlanqe terug.
 
Stalkers
“Eerst twitterde ik onder mijn eigen naam. Omdat een ex-vriendin me via twitter te nauwlettend volgde, begon ik met mijn bijnaam een nieuw account: De Blanke Bogarde. Ik was linksback en droeg kettingen”, vertelt DuBlanqe nadat hij een zo “groot mogelijk” biertje heeft besteld en zich excuseert voor zijn te late verschijnen (“Moest mijn bord roti goed leegeten”).

“Die ex kwam ook achter dat nieuwe account”, vervolgt hij. “Om haar nogmaals af te schudden, koos ik voor die eigenaardige spelling. DuBlanqe. Grappig: onder mijn eigen naam was ik nooit zo groot geworden. Er schuilt aantrekkingskracht in het mysterie, maar dat is dus toevallig ontstaan.”

“Ik heb een stalker”, haakt DuBlanqe in op het voorgaande. “Iemand die me letterlijk volgt, ziet dat ik bijvoorbeeld een maaltijdsalade afreken en dan een uur later twittert: Was ie lekker, de maaltijdsalade?” Is DuBlanqe bang? “Neuh. Ik vind het eerder zielig.”
 
Drenthe
Opvallend: we zijn al tien minuten bezig, maar hij heeft nog geen één keer op zijn telefoon gekeken. Ik vraag hem hoe hij in zijn rol is gegroeid. “Het is een uit de hand gelopen grap”, stelt DuBlanqe. “In 2011 doken er foto’s op van in Brazilië feestende Oranje-spelers waar gedoe om niks over ontstond. Ik twitterde iets relativerends, volgens mij: Ik ga slapen. Maak mij wakker als Cookie Voorn coke snuift tussen twee Braziliaanse borsten. Die sloeg aan en toen ging het lopen.
 
Ik was een van de eersten die de social media-accounts van voetballers checkte. Ik merkte filmpjes van Royston Drenthe achter het stuur van zijn cabrio – blik bier in de hand, rijdend door Madrid – op. Voetbaljournalisten niet. Ik heb oog voor het absurde. VI-journaliste Diana Kuip omschreef me als haar maffe, onaangepaste jonge broertje dat er vanaf de bank alles uitflapt, dingen die ze zelf misschien ook denkt, maar nooit zal zeggen.”
 
In stilte genieten
Nog steeds, we zijn al drie kwartier onderweg, heeft hij niet op zijn telefoon gekeken. DuBlanqe is dus niet verslaafd. “Ik twitter, alles bij elkaar opgeteld, zo’n anderhalf uur per dag. Natuurlijk krijg ik wel eens commentaar van vrienden, als ik in hun bijzijn twitter: Leuk dat je er ook bent.
 
Wel grappig, als je in de trein zit en je hoort een paar stoelen verder mensen lachend jouw tweets voorlezen. Waar ik ook van geniet: Nico Dijkshoorn, Jack van Gelder en Arno Vermeulen hebben me geblokkeerd. Waarom weet ik niet, ik herinner me geen grensoverschrijdende grappen. Kan ik om lachen, om die te ijdele mannetjes met een overschot aan ego en tekort aan zelfspot. Net als van Twente-supporters die boos reageren op plaagstootjes. Twentenaren hebben de langste tenen. Feyenoord-fans hebben juist veel zelfspot. Verrassend als je in ogenschouw neemt dat ik voor de vijand (Ajax, red.) ben.”
 
Verantwoordelijkheid
“Met veertigduizend volgers voel ik wel verantwoordelijkheid. Zonder mezelf te overschatten: een beetje macht heb ik wel. Piepjonge voetballers die domme dingen posten, pak ik niet aan. Te makkelijk. Maar volwassen, dikbetaalde profs moeten er tegen kunnen om beoordeeld en veroordeeld te worden. En wat ik doe, is geen journalistiek, maar gelul met een knipoog.
 
Ik krijg vaak tips. Bijvoorbeeld over een Feyenoord-speler die de vrijdag voor de Klassieker in de zaal stond te ballen. Daar twitterde ik terloops over, zonder de spelersnaam te onthullen. Tijdens de Klassieker op zondag stroomden toen de tweets binnen: het was Elia, hè?
 
Geregeld ontvang ik aanbiedingen om producten te promoten via mijn account. Omdat ik een goede baan in de sportmarketing heb, buig ik nooit voor de commercie.” Hij begint te lachen. “Althans, bijna nooit.” DuBlanqe buigt voor bijna niemand, dus.
“Twitter heeft me veel gebracht. Mijn vorige en huidige baan heb ik voor een groot gedeelte aan DuBlanqe te danken. En dankzij DuBlanqe heb ik mijn vriendin ontmoet. Ik houd ook andere twitteraars in de gaten uiteraard en denk soms: je kan er voor jezelf veel meer uithalen.”
 
Wil DuBlanqe niet méér? Een column? “Twitter is op mijn lijf geschreven. Het is snel, spontaan en direct. Een column is met een deadline, geforceerd, en voelt – denk ik – toch als huiswerk. Ik zou het misschien leuk vinden als ik de column mag publiceren wanneer ik wil.”

Een open sollicitatie? “Nee! Maar ik spreek jullie hoofdredacteur binnenkort, als ik de Staantribune Twitter Award aan Kees Kwakman uitreik met Aad de Mos*. Kijk ik nu al naar uit, de eindeloze beschouwingen van analysemachine Aad.”

* Helaas ligt de allereerste Voetbaltwitteraar van het Jaar, Aad de Mos, momenteel met griep in bed. Nogmaals beterschap vanaf deze plek, Aad!