Toen we nog kleine jongetjes waren, was Dejan Čurović de favoriete Vitesse-speler van mijn broertje Tomas. ‘Curryvic’ noemde Tomas hem. Hoewel Dejan aan de zware kant was, was ‘Curryvic’ geen satire. De Joegoslavische achternaam was ‘spraakkundig’ gewoon nog te hoog gegrepen voor een achtjarige. Op de parkeerplaats waar we voetbalden was ik vaak Michel Kreek, Tomasje was altijd ‘Curryvic’. Čurović was in onze Arnhemse buitenwijk populair, Curryvic niet: Curryvic schoot modderige voetbalafdrukken op auto’s en later, toen mijn kleine broertje minder klein werd, deuken.

Dejan Čurović leek meer op een Bulgaarse worstelaar dan op een profvoetballer. Als nieuwkomer, halverwege de jaren negentig, werd Čurović met Arnhemse argusogen bekeken. “Wie is die dikke pizzabakker?” Dejan zag eruit alsof Karel Aalbers hem had weggeplukt bij de amateurs. Zo’n spits waarvan je op de te vroege zondagochtend als voorstopper denkt: ik hoef vandaag niet op mijn tenen te lopen, maar dat moet die dikke niet bij mij doen, op mijn tenen lopen…


Wat je als man met vrouwen hebt, heb je als supporter ook met voetballers: velen bewonder je, slechts voor enkelingen heb je een eeuwigdurend zwak. Spelers op wiens naam je, ook jaren na dato, moeiteloos komt. Dejan Čurovićis zo’n naam. Na twee goals tegen NEC werd die dikke pizzabakker een cultheld in Arnhem. Laat dat woordje ‘cult’ trouwens maar weg. Een held dus, niet alleen vanwege die twee goals tegen de grote rivaal, maar vooral door de manier waarop. Dejan zag er uit als een amateur die er niet in spuugde en met een amateur die er niet in spuugde konden veel supporters zich identificeren. Dejan, onze licht obese ‘Wolverine’, met zijn lange armharen, woeste, norse blik en die bovenmenselijke schotkracht.

Čurović was het soort spits dat wachtte op het moment dat hij de bal kreeg in de zestien meter. De zestien meter van de tegenstander was de enige plek op het veld waar Dejan zich echt thuis voelde, zoals een bokser in de ring of een judoka op de mat. Zo gebruikte Čurović de zestien ook. Als judomat. Zodra hij daar werd ingespeeld, kon het worstelen beginnen. Dejan stond bij de aanname met zijn rug naar de tegenstander toegedraaid. De tegenstander zag de bal niet, nee: de tegenstander zag geen reet. Of juist wel. Niks, behalve die dikke kont van Dejan Čurović. Dejan draaide dan, leunend en – in mijn herinnering – heel snel van zijn tegenstander weg, hij ontworstelde zich, en schoot dan loeihard uit de draai op goal. Dejan was een spits met draaikont, net als zijn collega’s Mariano Bombarda en Henny Meijer.

Mijn broertje Tomas was ook een draaikont. Mijn pa, een voetbalvader, stimuleerde ons door wedstrijdgoals op zaterdag te belonen. Iedere goal was een frikandel waard. Tomas scoorde bij de vleet en door al die frikandellen ging hij ook steeds meer op Dejan lijken. Zijn draaikont werd groter en groter, totdat een trainer in Tomas ‘meer een voorschopper’ zag. Zijn nieuwe plek, ver van de vijandelijk goal, had de uitwerking van een dieet.

Na Čurović diende zich alweer vlot een andere Vitesse-spits met een dikke kont aan: Jhon van Beukering. Vers uit de eigen jeugd geplukt begon Jhon veelbelovend als een kruising tussen goaltjesdief Nikos Machlas en Dejan Čurović, maar werd met de jaren steeds meer Curovic. Van Beukering groeide wel door, maar niet op de manier die coaches graag zien. Bij NEC werd Van Beukering vanwege dat doorgroeien ‘Van Bekeuring’, een bijnaam die sloeg op de door overgewicht opgelegde geldboetes en straffen. Toen Jhon het gevecht met de kilo’s definitief verloor, eindigde hij als de alleen nog bij de amateurs welkome ‘Jhonny van de Burger King’.

Het gedwongen voetbalpensioen van Jhon betekende min of meer het einde van de spits met dikke reet. De draaikont is – in het profvoetbal – een uitstervend ras. Dejan Čurović zou in het huidige voetbal, waarin iedere speler box-to-box moet spelen, werkloos zijn. Trainers zouden Dejan uit de selectie sodemieteren en op een verplicht dieet zetten en hem zo zijn belangrijkste wapen – zijn kont – ontnemen. Draaikonten vind je helaas alleen nog bij de amateurs. En in de politiek natuurlijk.