RWDM ging in 2002 failliet, maar onder de supporters bleef de club altijd voortleven. De Belgische voetbalbond erkende onlangs hun nieuwe stamnummer. De Brusselaars vonden ook een terrein, waardoor ze komend seizoen kunnen herstarten in de vierde klasse.

rwdm04Israël-België, een kwalificatiewedstrijd voor het EK 2016, is op 31 maart amper negen minuten bezig als Stéphane Lievens via de chat van Facebook een foto stuurt. Een screenshot van de tribune. Je ziet supporters met Belgische sjaals, iemand met een Israelische sjaal, een paar gekke hoedjes, maar vooral een grote vlag met het logo van RWDM.

Het is niet de eerste keer dat het embleem van de Brusselse club opduikt bij de Rode Duivels. Ook op het WK in Brazilië viel het in de stadions te bespeuren. “Er is bij wedstrijden van de nationale ploeg altijd wel iemand aanwezig die de vlag van RWDM mee heeft”, zegt Lievens, een fervent supporter van Molenbeek en de Rode Duivels. “De voetbalbond heeft dat niet graag, maar we krijgen er van andere supporters wel altijd positieve reacties op. Onze bedoeling is om te tonen dat RWDM nog leeft.”

rwdm03

RWDM, op 1 juli 1973 ontstaan door een fusie van Racing White en Daring Molenbeek, ging in 2002 failliet. De poging die Johan Vermeersch daarna als nieuwe voorzitter ondernam om de club door een fusie met KFC Strombeek onder de naam FC Brussels te laten voortbestaan, hield stand tot het faillissement in juni 2014. Maar de fanatiekste supporters waren toen al lang afgehaakt: zij beschouwen 2002 als het echte einde van hun club.

Om RWDM alsnog weer op te richten met het originele stamnummer en het eigen logo werden in het voorjaar door een groep supporters onderhandelingen aangeknoopt met de gemeente. Die besloot White Star Bruxelles in het Edmond Machtensstadion te laten spelen. RWDM moet vrede nemen met het C-terrein en een tribune van 784 toeschouwers en staanplaatsen voor 2.000 toeschouwers, maar kan nu tenminste wel herbeginnen in de vierde klasse en blijven dromen van een terugkeer in het vertrouwde stadion.

rwdm02

Ketje
Veel supporters gingen als Ketje, zoals Brusselse jochies worden genoemd, al aan de hand van hun vader, oom of grootvader naar wedstrijden. Thierry Gobbe reed er toen hij zestien werd en in de buurt van La Louvière woonde, als supporter voor het eerst alleen naartoe. “Met een brommer die maar veertig kilometer per uur kon”, zegt hij. “Ik was anderhalf uur onderweg over de binnenwegen. En na de wedstrijd moest ik weer anderhalf uur terug. Ik was als kind al meteen gegrepen door de ambiance, die heel anders voelde dan bij Anderlecht, volkser, want een Molenbekenaar is eenvoudig en gemoedelijk. Die passie heb ik nergens anders gevonden.”

In een uitgebreide verzameling bracht Gobbe een trits echte RWDM-memorabilia bij elkaar. Tien jaar heeft hij gespaard voor een bijgebouw aan zijn woning om ze er in onder te kunnen brengen. In een hoek van zijn mini-museum staat een oude, stevige, witte sporttas. “Gekregen van Johan Boskamp”, zegt Gobbe. “Ik wilde toen hij nog voetbalde met hem op de foto. Hij heeft er ter plekke al zijn spullen uit gehaald en mij zijn tas cadeau gedaan.”

En onderaan in een vitrinekast ligt het stuk van de houten bank waar hij als seizoenkaarthouder tien jaar op heeft gezeten, afgezaagd net voor de tribune werd gesloopt om er business seats op te trekken. “Die hebben ons de das omgedaan”, zegt Gobbe. “Men dacht dat die seats meer geld zouden opbrengen. Maar RWDM was geen business of internationale club, RWDM is een Brússelse club.” Grijzend: “De enige Brusselse club trouwens.”

Lees het hele achtergrondverhaal over RWDM van redacteur Raoul de Groote, met foto’s van Marco Magielse, in het eerste nummer van Staantribune, te bestellen via de webshop.