Wat ik wilde worden, later? Een Paniniplaatje. Liefst een zilveren, maar ik was al blij wanneer ik ooit als gewone sticker zou worden geplakt. Handen op de rug, met verborgen trots strak in de camera kijkend. De jeugd van tegenwoordig denkt dat Panini een luxebroodje gesmolten kaas is en wil geen plaatje maar een FIFA-poppetje worden. Plaatjes zijn ze, door toedoen van supermarkten die van klanten koningen maken, al geweest.

Genetisch gezien leek de kans dat ik een plakplaatje zou worden niet groot. Er was niemand in de familie die hoog voetbalde. Mijn vader was een soort Johan Derksen: hij kon goed over het spelletje lullen, maar was verder tergend trage reclame voor scheenbeschermers en antireclame voor bier en sigaretten. Wanneer pa meestrompelde tijdens grote partijen in het park, raakte hij vaker een kinderscheen dan de bal. Ik hoopte dat ik het talent van mijn moeder had, maar die had twee broers die niet konden voetballen. Eén was zwaar gehandicapt, de ander was volgens mij meer van het badminton en dammen. Toch kreeg ik als jongen hoop dat het genetisch gezien niet onmogelijk was om prof te worden. Hoop uit onverwachte hoek. De Achterhoek.

Omdat mijn ouders naar Arnhem geëmigreerde Achterhoekers zijn, bezochten we geregeld de Achterhoekse familie. Opa en oma hadden nog mot gehad met de moffen. Anti-Duits, maar wel net over de grens tanken, boodschappen doen en het hele weekend non-stop Duitse televisie (inclusief Bundesliga) kijken. Hun Achterhoeks klonk als een soort Nederduits in de oren: “Wie steht voor den deur?”

De Achterhoekse grens passerend, moesten we van pa altijd raden of hij er eentje had gelaten of dat die stank, die ondanks een open-raampjeverbod doordrong in onze Opel Astra, ‘koeienvla’ was. Voor ons Arnhemmers was het of de ‘Achterlijkhoekers’ in een soort mega Openluchtmuseum leefden, met al die uitgestrekte weilanden en boerderijtjes. Ik vermoedde dat er meer koeien dan mensen in de Achterhoek woonden. Op vijfhonderd meter van het centrum van de hoofdstad van de Achterhoek, Doetinchem, liep er nog vee in de wei rond. 

“Kiek hoe ver je hier kan kieken”, zei ma over de serene rust die er heerste. Pa stelde dat hij juist onrustig van die rust werd en daarom de Achterhoek achter zich had gelaten. Je kunt hier perfect rijexamen doen, maar verder is het saai. Al heb je hier wel het eeuwige leven: ik herinner me zondagen die honderd jaar leken te duren. We moesten lachen toen Doetinchem de opening van de eerste McDonald’s vierde als een landkampioenschap. In Arnhem hadden we toen al drie Macs.

Midden jaren negentig promoveerde De Graafschap naar de eredivisie. Soms kreeg ons cluppie, Fietstas, zelfs klop. Dat vierden ze in de Achterhoek dan alsof er een McDonald’s werd geopend. Want wij in Arnhem, met ons in aanbouw zijnde Gelredome (inclusief McDonald’s) hadden spatjes. Terwijl de mensen in de Achterhoek zich juist nooit ‘de kop gek’ lieten maken en zo normaal bleven. De populairste band uit de streek heette zelfs NORMAAL. Tijdens de Zwarte Cross kon je als buitenstaander zien hoe normaal Achterhoekers waren.

Een paar keer waren mijn pa en ik bij zo’n Vitesse-vernedering op de Vijverberg aanwezig en stond ik me tussen hossende familie op de Spinnenkop te verbijten als we weer eens op arbeidsethos werden geklopt en er om ons heen “BOERUHHHH, BOERUUHHHH” werd gezongen. Het vertrouwen in de Achterhoek groeide in de ‘tied’: de boeruhhhh werden Superboeruuhhh.

Terwijl de Superboeruhh beter dan ooit voetbalden, ontdekte ik iets dat mijn wereld op de kop zette: een genetische link tussen mij en een De Graafschap-voetballer. De best technische, met ‘peerdenlongen’ gezegende rechtshalf Frank Lukassen – een soort Ronald de Boer met snor – bleek een neef van mijn moeder, die me dat nota bene terloops in een bijzinnetje meedeelde. “Frank Lukassen is familie!?” reageerde ik uitzinnig, als een Achterhoeker bij de opening van de eerste McDonald’s. 

“Frank Lukassen is mijn oom”, zo blies ik de waarheid op school ietsje op, terwijl ik hem trots aanwees in mijn Panini-album. “Die snor? Heb ik vijf keer dubbel”, zeiden mijn vriendjes dan. Misschien keek ik, als familielid, subjectief: maar Frank Lukassen kon hogerop. Een ‘zilveren’ worden. De vraag was: wilde hij dat wel? Want waarom die snor?

Folkert Velten (Heracles) had ook een snor. Een snor was toen wat nu, ongeveer dan, de gezichtstatoeage is (een signaal waarmee iemand zegt: doe mij maar een uitkering). Met een snor communiceerden spelers als Folkert Velten en Frank Lukassen: ik ‘bun’ een boer en ‘blief’ liever hier. Vitesse of Ajax zouden nooit een snor strikken.

Een paar keer, op begrafenissen, zag ik Frank Lukassen. Aanspreken durfde ik hem niet. Misschien was het ook niet het moment, met een plakje cake in de bek. Frank zag er helemaal niet uit als een profvoetballer, met die snor. Een hele gewone, ontspannen man, die vast vol ongewone verhalen zat. Hij maakte immers Simon Kistemaker, Frans Körver, Ali Ibrahim en Fritz Korbach mee. Ik durfde Frank Lukassen er niet naar te vragen, mijn vader wel. Die zei dan, na het ontslag van Fritz Korbach: “Op de volgende begrafenis vraag ik Frank even hoe dat nu zit, met Fritzie.” En dan vroeg hij ongeduldig aan mijn moeder: “Zeg, hoe lang zou dat nog duren met Tante Trees?”

Omdat er weinig begrafenissen zijn, heb ik ‘oom’ Frank al heel lang niet meer gezien. Een plaatje ben ik – toch de voetbalgenen van mijn vader en te vroeg gestopt – nooit geworden.

Remco Kock