Vanavond speelt Nigeria met twee in Nederland geboren spelers in de selectie tegen het Argentinië van Lionel Messi. Tyronne Ebuehi en William Troost-Ekong vechten voor hun laatste kans om de achtste finale te halen. Het WK werd ooit opgezet als een competitie tussen landen, of beter gezegd een kampioenschap tussen natiestaten. Voetballers die hun land en haar inwoners in een strijd tegen de ‘ander’ vertegenwoordigen. Gekleed in de nationale kleuren zijn de spelers de (tijdelijke) representatie en trots van een land. De nationale trots wordt, hoe paradoxaal ook, steeds meer gekarakteriseerd door hyperdiversiteit waarbij nationale selecties in toenemende mate bestaan uit voetballers die niet in het land zijn geboren waar ze voor uitkomen: migrantvoetballers.

Luis Monti speelde tijdens het WK van 1930 voor Argentinië en in 1934 voor Italië. Hij won met de Italianen het mondiale voetbaltoernooi.

Dat voetballers een ander land vertegenwoordigen dan het land waarin ze zijn geboren, is verre van nieuw. Al tijdens het eerste WK in 1930 maakten verschillende nationale teams gebruik van geëmigreerde voetballers. Zo trad de Verenigde Staten aan met vijf in Schotland geboren spelers en één Engelsman. Op hetzelfde WK is een geboren Spanjaard te vinden in de nationale selecties van Argentinië en Uruguay. Op de WK van 1934 en 1938 maken migrantvoetballers al meer dan 6% uit van het aantal geselecteerde voetballers.

Dit relatief hoge aantal is te verklaren door het gevoerde selectiebeleid van vooral Europese nationale teams. Om de beste spelers van de natie op te kunnen stellen werden toentertijd al spelers uit overzeese diaspora geselecteerd. Een voorbeeld is het Italiaans Elftal uit 1934 dat bestond uit vier in Argentinië geboren spelers en één Braziliaanse Italiaan. Een van de Argentijnse spelers was Luis Monti. Hij speelde in 1930 aan Argentijnse zijde mee in de verloren WK-finale tegen Uruguay. Vier jaar later revancheerde hij zich en werd wereldkampioen, zij het met de Italiaanse ploeg.

De tijd tussen de WK-editiesvan 1950 en 1990 is te kenmerken als een periode van relatief weinig migrantvoetballers op het WK. Het aandeel migrantvoetballer op deze edities schommelde tussen de 1% en 5% en was vooral afhankelijk van de gekwalificeerde nationale teams. Sinds midden jaren negentig neemt het aandeel migrantvoetballers op ieder WK toe. Processen van globalisering – waaronder internationale migratie, professionalisering en commercialisering van het internationale voetbal, plus het toegenomen belang van nationale voetbalteams voor de prestige van een land – liggen ten grondslag aan deze stijging.

Vooral de meerwaarde van een goed presterend nationaal elftal op mondiaal niveau heeft nationale voetbalbonden en overheden geïnteresseerd in het (actief) aantrekken van de beste spelers van hun natie. Met als gevolg actieve zoektochten naar nationaal talent buiten de landsgrenzen door nationale voetbalbonden en het ‘oprekken’ van de door FIFA opstelde regelgeving rondom het in aanmerking komen van spelers voor nationale teams.[1] Mede hierdoor is er sinds het WK van 1994 (in Amerika) een doorgaande stijging van het aantal migrantvoetballers op het WK zichtbaar.

Het huidige WK in Rusland torent met een aandeel van meer dan 13% migrantvoetballers boven de eerdere WK-edities uit. Hierbij spant de Marokkaanse selectie de kroon. Driekwart van spelers (17 van de 23 selectiespelers) die uitkomen voor Marokko zijn niet in Marokko geboren. Zij komen uit andere landen zoals Frankrijk, Nederland, Spanje en België. Doelman Yassine Bounou is zelfs geboren in de Canadese stad Montreal. Al deze zeventien in het buitenland geboren spelers mogen voor het Marokkaanse elftal uitkomen doordat hun ouders en/of grootouders geboren zijn in Marokko. Hierdoor komen deze spelers in aanmerking voor de Marokkaanse nationaliteit, wat de basis vormt voor een uitnodiging voor het nationale team van Marokko.

Een verklaring voor dit hoge aantal spelers dat niet in Marokko is geboren binnen de Marokkaanse selectie is de veranderde houding van de Marokkaanse voetbalbond. Waar andere Afrikaanse nationale elftallen al jaren actief voetballers uit hun diaspora rekruteren, sloeg Marokko deze weg pas in na het behaalde succes van het Algerijnse ‘vreemdelingenlegioen’ op het vorige WK; zestien van hun 23 selectiespelers waren geboren of als voetballer opgeleid in Frankrijk. Met goedkeuring van de Marokkaanse overheid werd in 2014 de campagne ‘breng de talenten die tot onze grond behoren terug’ gestart. Het doel: de voetbalsterren uit de Marokkaanse diaspora te overtuigen om voor het nationale elftal van Marokko te kiezen in plaats van voor het nationale team van hun geboorteland. Gezien het feit dat het Afrikaanse land op dit WK in staat is om een geheel in Europa geboren elftal het veld in te sturen, heeft de campagne gewerkt.

Hyperdiversiteit zorgt voor Oranje op dit WK
De diaspora-campagne van de Marokkaanse voetbalbond heeft, voor dit WK, ook een (klein) voordeel voor het niet-gekwalificeerde Nederland.[2] Door de inbreng van Hakim Ziyech (geboren in Dronten), Karim El Ahmadi (Enschede), Moubarak Boussoufa (Amsterdam), en de broers Nordin en Sofyan Amrabat (respectievelijk geboren in Naarden en Huizen) is Oranje toch een beetje vertegenwoordigd op dit WK. De Nederlandse trots wordt op dit WK echter niet alleen door deze vijf spelers hooggehouden. Het nationale team van Nigeria heeft ook twee in Nederland geboren spelers in hun gelederen: Tyronne Ebuehi en William Troost-Ekong.

Haarlem blijkt vruchtbare grond voor talentvolle voetballers met Nigeriaanse ‘roots’. Zo werd voormalig ADO Den Haag-verdediger Tyronne Ebuehi – komend seizoen spelend voor de Portugese grootmacht Benfica – geboren in deze Noord-Hollandse stad. Ebuehi groeide daar samen met zijn broertje en zusje op in een internationaal gezin met aan het hoofd een Nederlandse moeder en een Nigeriaanse vader. Na zijn jeugdjaren te hebben gespeeld voor diverse voetbalclubs in de regio belandt Ebuehi in 2014 bij de profs van ADO. Tijdens zijn vierde seizoen bij de residentieclub  laat Ebuehi een sterke indruk achter, wat ook de Nigeriaanse voetbalbond niet ontgaat. Halverwege 2017 ontvangt Ebuehi een uitnodiging om zich aan te sluiten bij het Nigeriaanse elftal en op 14 november van dat jaar maakt hij zijn officiële debuut.

Dat mede-‘Super Eagle’ William Troost-Ekong hem de boodschap van zijn selectie in het nationale team van Nigeria overbrengt, is geen toeval. De twee kennen elkaar door en door, aangezien Troost-Ekong ook in Haarlem is geboren binnen een Nederlands-Nigeriaans gezin. De twee Nederlandse Nigerianen brengen vele uren, al voetballend, samen door in de Haarlem.

Ferenc Puskás werd in Hongarije geboren en speelde in 1954 voor dat land op het WK. In 1962 deed hij namens Spanje mee.

Waar de voetbalcarrière Ebuehi langzaam aan gestalte krijgt in Nederland, verlaat William Troost-Ekong de Noord-Hollandse grond al op twaalfjarige leeftijd. Moederziel alleen steekt Troost-Ekong Het Kanaal over om in Londen naar een kostschool te gaan en te spelen bij de plaatselijke Bishop’s Stortford FC. In Engeland is voetbal voor de jonge Troost-Ekong de manier om met andere kinderen in contact te komen, aangezien hij de taal nauwelijks tot niet spreekt.

Zijn talent voor voetbal wordt al snel opgemerkt door diverse clubs uit de Premier League en via Fulham belandt Troost-Ekong in 2008 bij de jeugdopleiding van Tottenham Hotspur. In Nederland blijven de ontwikkelingen van de jonge William ook niet onopgemerkt. De KNVB ziet in Troost-Ekong een potentiële Oranje-international en nodigt hem uit voor het Nederlands Elftal onder de 19 en 20 jaar. Tijdens drie wedstrijden draagt Troost-Ekong het Oranje van zijn geboorteland alvorens hij in 2015 zijn debuut maakt voor Nigeria. De keuze om Nigeria te vertegenwoordigen, maakte hij op basis van zijn gevoel; Troost-Ekong voelt zich Nigeriaans.

Nog nooit is het aantal in Nederland geboren spelers dat voor een ander nationaal team uitkomt dan Oranje zo hoog geweest als op dit WK. Sterker nog, voor dit WK kwamen maar drie in Nederland geboren voetballers ooit uit voor een ander nationaal team. De bekendste is wellicht de in Veghel geboren Earnie Stewart. Stewart heeft een Nederlandse moeder en een Afro-Amerikaanse vader, waardoor hij in aanmerking kwam voor het nationale team van de Verenigde Staten. Na zijn overgang van eerste divisionist VVV Venlo naar eredivionist Willem II  in 1990  ontving Stewart voor het eerst een uitnodiging voor het Amerikaans Elftal. Tijdens zijn actieve loopbaan komt Stewart 101 keer uit voor de Verenigde Staten waarvan hij het nationale shirt op maar liefst drie edities van het WK draagt (1994, 1998 en 2002). Naast Stewart zijn de in Schiedam geboren Marokkaan Ali El Khattabi (WK 1998) en de Amsterdamse Ghanees Quincy Owusu-Abeyie (WK 2010) op een WK uitgekomen voor het land van hun familie in plaats van voor hun geboorteland.

Diversiteit in nationale voetbalelftallen is van alle tijden. In de afgelopen edities van het wereldkampioenschap voetbal is echter het aantal migrantvoetballers toegenomen, van zo’n 6% in de jaren 1930 tot een norm van meer dan 10% sinds de WK editie van 2010. Door de aanwezigheid van deze zeven in Nederland geboren spelers is er toch een sprankje Oranje op dit WK aanwezig.[3] Dat de aanwezigheid van deze Nederlanders echter niet de gebruikelijke Oranje-hysterie oproept in Nederland is begrijpelijk.

Mijn verwachting is dat hyperdiversiteit in nationale teams de norm wordt voor het WK voetbal. In toenemende mate zullen nationale voetbalteams worden gerepresenteerd door voetballers die niet binnen de territoriale grenzen van het land waarvoor ze uitkomen zijn geboren of door spelers met een duidelijke connectie met een ander land. Dat het gebeurt, is overigens niets nieuws. En wat is er mis met het uitkomen van in Nederland geboren spelers voor een ander land of het opstellen van niet in Nederland geboren spelers in Oranje? Zolang Nederland zich weet te kwalificeren voor de komende WK’s (en EK’s) zullen we met zijn allen weer in het Oranje gekleed ‘onze’ jongens naar hartenlust toejuichen. Ook als ze in een ander land geboren zijn of banden hebben met een ander land. Ze zijn, en blijven, immers Nederlanders.


Gijs van Campenhout (1986) is promovendus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, afdeling Geschiedenis. Zijn promotieonderzoek maakt deel uit van het onderzoeksproject Sport and Nation. Van Campenhout onderzoekt de historische ontwikkelingen van migrantvoetballers op het wereldkampioenschap voetbal (1930-2018). Deze ontwikkelingen worden daarbij geplaatst in de bredere context van internationale migratie, kwesties van (duale) nationaliteiten en burgerschap. Hij is te volgen op Twitter: @GeoCoreNL


Foto bovenaan: William Troost-Ekong, verdediger van Nigeria

Referenties:

[1] In hun regelgeving heeft de FIFA bepaald waar spelers aan moeten voldoen willen ze in aanmerking komen voor een nationaal elftal. Het uitgangsprincipe hierbij is dat spelers de nationaliteit bezitten van het land waarvoor ze uitkomen. Als een speler in een officiële interland voor een nationale team is uitgekomen, dan is hij gebonden aan dat team. Spelers met een dubbele nationaliteit mogen maar één keer de keuze maken voor welk land ze willen uitkomen. Het hebben van een dubbele of meervoudige nationaliteit bestaat dus niet in het internationale voetbal: iemand kan enkel Nederlands of Surinaams zijn, of Frans of Marokkaans, maar niet beide.

[2] De (afgeronde) discussies rondom de recente keuzes van Hakim Ziyech en Sofyan Amrabat om voor het Marokkaans Elftal in plaats het Nederlands Elftal uit te komen daargelaten.

[3] Daarbij moeten we de Nederlandse bondscoach van Australië Bert van Marwijk, zijn assistent Mark van Bommel, en het scheidsrechtersteam rondom Björn Kuipers uiteraard niet vergeten.