De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: Paolo Laconi (De Stentor).

Het is zomervakantie, begin jaren negentig. Ik ben een jaar of tien en sta in korte broek op teenslippers in de enige bar van Siurgus Donigala, het geboortedorp van mijn vader. Boven de bergen trilt de lucht van de hitte, binnen maakt de airco een suizend geluid. Ik lik aan een Sammontana-ijsje en kijk naar een grote foto aan de muur. Een man in rood-blauw voetbaltenue, met zijn armen over elkaar, kijkt streng voor zich uit. Op zijn borst prijkt een rood kruis met vier zwarte koppen. Quattro Mori, de vlag van Sardinië. Gianni komt naast me staan. Hij is de baas van de bar en heeft een borstelige snor. “Pipìu, knul, weet je wie dat is?” vraagt hij, terwijl hij naar de foto knikt. “Het is Gigi Riva, de held van het eiland.”

In Bar Gianni ligt mijn vroegste herinnering aan Riva, met 35 goals topschutter van La Squadra Azzurra. Hoewel ik hem nooit zag spelen – hij was actief van 1962 tot 1976 – kwam hij tijdens mijn jeugdjaren steeds weer voorbij. Het had iets onvermijdelijks. In de verhalen van mijn vader, opa en ooms werd Riva tot leven gewekt en groeide hij voor mij uit tot een bijna mythische figuur.

Ook dit beeld staat in mijn geheugen gebeiteld, mijn vader heeft het me meer dan eens verteld. Het is 12 april 1970. Cagliari speelt tegen Bari. Het oude Stadio Amsicora is vier uur voor de wedstrijd tot de nok toe gevuld met uitzinnige tifosi. Iedereen beseft dat het een historische dag gaat worden. Tientallen mensen klimmen in de bomen langs de via dei Salinieri om toch een glimp van de wedstrijd op te vangen. Ook mijn vader, zeventien jaar oud, vindt hoog in de boom een plekje. Hij ziet Riva 1-0 scoren, vlak voor tijd maakt Sergio Gori de verlossende 2-0.

Cagliari is kampioen van Italië, de hegemonie van de rijke clubs uit het noorden is doorbroken. Voor het eerst wint een club uit het arme zuiden de scudetto. Riva – een noorderling uit Leggiuno, een dorpje aan de boorden van Lago Maggiore – scoort dat seizoen 21 goals en kroont zich voor de derde keer tot capocannoniere van de serie A. “Hij is de beste spits die Italië ooit heeft gekend”, heb ik mijn opa vaak horen zeggen.

Net als de jaren ervoor heeft Riva de grote clubs voor het uitkiezen. Juventus, Milan, Inter; hij kan er vijf keer meer verdienen, maar weerstaat de verlokkingen en blijft bij Cagliari. “Sardinië was mijn land geworden, de Sardijnen mijn volk”, zei hij ooit in een interview. “In die tijd maakten ze Sardijnen uit voor schapen en bandieten. Dat gaf ons juist kracht. Voor dit volk wilde ik de scudetto winnen.”

Rombo di tuono, ‘Donderslag’, doopt de bekende sportjournalist Gianni Brera hem. Vanwege zijn kiezelharde schot met zijn beruchte linkervoet. Hij blijft Cagliari zijn hele voetballoopbaan trouw, veertien seizoenen lang. En ook nu, 73 jaar oud inmiddels, woont hij nog steeds op het eiland.

Wat Maradona is voor Napels, is Riva voor Sardinië. Een magnifieke voetballer die het zelfbewustzijn van een compleet volk omhoog stuwt. Als afweergeschut tegen de hoon uit het noorden. “Hij heeft ons Sardijnen onze trots terug gegeven”, hoor ik barman Gianni zeggen. Ik vertel het mijn vader. Hij antwoordt niet, maar toont me de breedste glimlach die ik ooit heb gezien.

Paolo Laconi