Nadat Marco van Basten Ajax in de zomer van 1987 had verlaten voor een avontuur in Italië, bleef het jonge Ajax bekaaid achter. Hoe moest het nu verder? Natuurlijk, er stond nog genoeg kwaliteit op het veld om niet meteen te hoeven wanhopen, maar de kenners waren het erover eens dat het behelpen zou worden in aanvallend opzicht. Coach Cruijff zou zichzelf niet zijn als hij niet een compleet onverwachte oplossing zou bedenken. Hennie Meijer werd uit Kerkrade gehaald om de Amsterdamse gelederen te versterken. Pardon?

Hoe idolaat ik ook van de trainer Cruijff was, ik had er een hard hoofd in. Niks ten nadele van Hennie Meijer. Ik had hem als scholier een keer geïnterviewd omdat hij bij mijn favoriete club Roda JC een cultstatus had bereikt. Pas laat met betaald voetbal begonnen, was Meijer in een mum van tijd uitgegroeid tot de grootste ‘kontvoetballer’ van Nederland. Als hij zijn achterwerk in de strijd gooide, waren de meeste verdedigers kansloos. Een targetman van het rommelende soort die voor Roda 27 doelpunten had gemaakt in 65 wedstrijden. Niet het meest indrukwekkende cv, maar ach, wie was ik met mijn twijfels? Johan Cruijff was natuurlijk niet gek.


Na een walk-over in de eerste ronde van de Europa Cup II tegen het Ierse Dundalk, wachtte in de tweede ronde het roemruchte Hamburger SV. Ajax, houder van de Europa Cup der Bekerwinnaars, moest vol aan de bak en dat terwijl de club al vroeg in het seizoen Rijkaard, die na een conflict met Cruijff zijn biezen had gepakt, moest missen. Het ‘leerproces’, de term waarmee Cruijff zijn jonge team beschermde tegen kritische journalistenvragen, zou zonder Van Basten en Rijkaard ongetwijfeld vertraging oplopen. Wie moest de kar nu gaan trekken? Cruijff koos voor John van ’t Schip en menig Ajax-supporter hield zijn hart vast. Johnny was een aardige jongen en een leuke, technische vleugelaanvaller, maar een leider?

De uitwedstrijd tegen HSV bewees het tegendeel. Met de aanvoerdersband om leek Van ’t Schip een compleet andere speler. Hij was ineens zichtbaar de spitting image van zijn trainer. Qua lichaamsbouw en loopstijl bijna een kopie. Johnny speelde fantastisch op die herfstachtige woensdag in Hamburg. Dat de 0-1 op naam van, jazeker, Hennie Meijer kwam, was slechts voor de statistieken. Van ‘t Schip was plots de nieuwe blikvanger.

Enkele dagen voor de return in Amsterdam vierde ik mijn zestiende verjaardag. Ik had maar één cadeautip: een kaartje voor de returnwedstrijd in het Olympisch Stadion. Mijn wens werd schoorvoetend door mijn ouders gehonoreerd, onder de voorwaarde dat ik de reis niet alleen zou maken. En dus toog ik, in een bus vol gelijkgestemden, samen met mijn oom vanuit Limburg naar de hoofdstad.

Van de wedstrijd zelf weet ik bijna niets meer. Ja, het werd 2-0 voor Ajax en Meijer scoorde weer. Maar wat er verder op het veld allemaal gebeurde, is aan mij voorbijgegaan. Ook het spel van Van ‘t Schip is niet blijven hangen. De reden? Er gebeurde iets dat ik nooit zal vergeten. Een voorval dat meteen alles overschaduwde.

Op een zeker moment vloog de bal over de zijlijn in de richting van de Amsterdamse bank. In een flits stond Cruijff – gekleed in een lange, veel te brede, beige regenjas – op en legde de bal in één keer dood op zijn glimmende lakschoen. Het was een magisch moment. In mijn herinnering kwam hem dat op een ovatie van het volle stadion te staan.

Maar ik heb er nooit iets over gelezen. In geen enkel wedstrijdverslag wordt dit moment genoemd. Zodanig dat ik anno 2015 ernstig aan mezelf en mijn persoonlijke herinnering begin te twijfelen. Mijn oom, in die tijd ook een Cruijff-adept, kan zich het moment desgevraagd ook nog herinneren. Hard bewijs heb ik echter niet, maar als ik mijn ogen sluit, kan ik deze briljante balaanname nog steeds dromen.

Dit artikel verscheen eerder op 25 oktober 2015.