Omdat mijn neefje in ‘het eerste’ speelt, is amateurvoetbal kijken min of meer een familieverplichting voor me. Het is goed zichtbaar dat het straatvoetbal uitsterft: veel flipperkastvoetbal met ontelbare beroerde balaannames, vaak gecorrigeerd met te laat ingezette tackles. De onsportieve spanning maakt veel goed: mede door die te late tackles hangt ontsporing continu in de lucht. “Wij zijn dit seizoen nog ongeslagen” schijnt nu te betekenen: we hebben nog geen klappen gehad.

De man op wie ik veruit het meest let: die met die fluit. Gefascineerd – zoals Frans de Waal naar een aap loert – houd ik hem constant in de gaten en probeer ik een antwoord te bedenken op deze vraag: waarom? Waarom reist iemand in zijn eentje (nooit zie ik een scheidsrechtersvrouw op de tribune, ze kijkt wel uit, ze wil niet over haar man horen dat hij “thuis vast niks te vertellen heeft” of “er vast niet op mocht vannacht”) af naar een winderig sportpark om de baas te blazen over mannen met een autoriteitsprobleem? Want op de toss na wordt iedere beslissing aangevochten. Vaak figuurlijk, soms letterlijk.


Door de teloorgang van het straatvoetbal mislukken de meeste passeeracties (“Met FIFA 2017 lukte ie wel”), waarna aanvallers hun enorme ego proberen te redden met een stervende zwaan. Daarom moet de scheidsrechter – alsof het Tussen Kunst & Kitch is – constant en in een split second inschatten: echt of niet-echt. Daarbij wordt de arbiter niet bepaald geholpen door zijn assistenten, de clubgrensrechters, integendeel. Daarover zo meer. Nee, fluiten lijkt me niet alleen moeilijk, ongemakkelijk en ondankbaar, soms is het vermoedelijk zelfs gevaarlijk (zeker bij bepaalde clubs zou de KNVB scheidsrechters moeten uitrusten met een taser, pistool of bodyguard).

Waarom kiezen ‘ze’ voor die ondankbare taak? Sommige scheidsrechters beschikken over een aangeboren rechtvaardigheidsgevoel. Fluiten als roeping. Geldt ook voor de autisten onder fluitisten: die vinden regels en de naleving ervan – op het dwangneurotische af – belangrijk. Belangrijker dan rechtvaardigheid. Een pa van een vriend was zo’n regeltjesman: werkzaam bij de belastingdienst, nooit een druppeltje alcohol en modeltreinen (in de winter) en de volkstuin (in de zomer) als hobby. Hij spekte zowel de kas van de staat als die van de KNVB, want een wedstrijd aanvoelen deed-ie niet: de KNVB cashcow schreef ieder weekend voor een fortuin aan rode en gele ‘bonnen’ uit.

Natuurlijk heb je ook de pure klootzakken met strakke scheiding. Machtswellustelingen die met een soort hysterische hitlermotoriek een wedstrijd leiden. Zoals Hitler ooit mislukte als kunstenaar, mislukten zij als voetballer. Als kind werden ze tijdens een potje poten als laatste gekozen en bij hun club fungeerden ze vooral als bankverwarming. Frustratie is de wrange basis van hun scheidsrechterschap: als ik niet mee mag spelen, ruïneer ik jullie spelplezier!

Ook boeiend: de assistenten. Maar zo mag je clubgrensrechters eigenlijk niet noemen. Ze assisteren niet, ze saboteren. De clubgrensrechter is de twaalfde man (eigenlijk wordt er twaalf tegen twaalf gespeeld), alias de vijfde verdediger die iedere gevaarlijk ogende dieptebal onschadelijk maakt door de vlag in de lucht te steken. De wat intelligentere clubgrensrechter beseft dat hij zuinig op zijn krediet moet zijn en vlagt niet alles af.

De met een minder volle bovenkamer bedeelde grensrechter doet dat wel en vlagt zichzelf zo buitenspel: na een tijdje wordt hij door de scheidsrechter genegeerd. Dat leidt dan weer tot de gevleugelde zijlijn-uitspraak: “Hé scheids! Ik sta hier niet voor Jan Lul te vlaggen!” Waarna Jan Lul de vlag woest en demonstratief neergooit. Lijkt heftig, maar mensen die Jan Lul al langer kennen weten: dat doet Jan Lul elke week.

Bij lagere elftallen vlaggen reservespelers, iets dat niet voor niets ‘de lul zijn’ heet (“Had je maar moeten trainen deze week, Peter!”). Dus wie krijg je zo gek om clubgrensrechter te worden? Vaak een echte gek: een dorpsidioot met een groot clubhart, maar een nog grotere lever die zich laat uitbetalen in bier (“Wij de punten, jij de pinten Sjaak!”).

Soms ook de beer van de club: de persoon die niet te intimideren valt, maar zelf wel intimideert door zijn postuur, iemand die geniet van “het punten pakken voor mijn cluppie” en het mooi vindt om mot te hebben met mensen die zijn blind vlaggen veroordelen.

Conclusie: voor mij zijn scheids- en grensrechters, hoewel voer voor psychologen, de onbetwiste helden van de amateurvelden. Ga er immers maar aanstaan. En ja, je zou scheids- en grensrechters uit de brand helpen en de helft van de agressie in het amateurvoetbal wegnemen door het speelveld in te korten en buitenspel op te heffen. Maar dan maak je het amateurvoetbal voor mij als toeschouwer wel een stuk minder spannend.