Vandaag precies 31 jaar geleden won Steaua Boekarest de Europacup I. De club die de afgelopen jaren in een achtbaan van gekkigheid verkeerde, teert steeds meer op het verleden. Op 7 mei 1986 werd Barcelona verslagen, op Spaanse bodem nog wel. Held van de avond was de Roemeense keeper Helmuth Duckadam die alle vier de strafschoppen van Barcelona stopte. Het was meteen de laatste wedstrijd van de doelman. Volgens de geruchten kwam dat doordat een van de zonen van Nicolae Ceaușescu met een jachtgeweer in de arm van Duckadam had geschoten. Voor Staantribune #7 belde redacteur Raoul De Grootte met de oud-keeper om dat verhaal te checken. Een klein voorproefje:

Op 7 mei 1986 zagen 70.000 toeschouwers in het Estadio Ramón Sánchez Pizjuán van Sevilla hoe het na 120 minuten in de Europacup I-finale tussen Steaua Boekarest en Barcelona nog altijd 0-0 stond. Penalty’s moesten beslissen wie de beker zou winnen: het Barcelona van Terry Venables of het Roemeense Steaua, dat werd gecoacht door Emerich Jenei.

Marius Lăcătuș en Gavril Balint scoorden voor Steaua en de laatste kans voor Barcelona om er ook een in te krijgen, was voor Marcos. Tevergeefs. Het werd de vierde penalty die Helmuth Duckadam uit zijn doel hield. Links in de hoek, met de linkerarm, nadat hij de drie andere met rechts had gepakt. Duckadam werd de held van de avond, de doelman die Steaua Boekarest als eerste Oost-Europese club aan de Europese beker der landskampioenen hielp.

Hoe leefden jullie naar die finale toe?
Helmuth Duckadam (57): “We wilden tonen dat we goed konden voetballen. Aan winnen dachten we niet, want het was toch Barcelona waar we tegen speelden. En in Sevilla, Spanje, bovendien. Maar Michel Vautrot bleek gelukkig een heel goede scheidsrechter die zich daar niet door liet beïnvloeden. Ik werd dan wel de held van de strafschoppenreeks, maar het is ook dankzij de ploeg dat het toen nog 0-0 stond. Ik had talent voor strafschoppen, want ik pakte er ook een tegen AS Roma en in Roemenië stopte ik er ook veel. Op de training heb ik ook zelf vaak penalty’s getrapt, dus mijn strategie was om te denken zoals de spelers dachten. De derde penalty was de simpelste: ik had de eerste twee rechts gepakt, dus ik vermoedde dat Pichi Alonso zou denken dat ik naar links zou duiken, dus ik ben weer naar rechts gesprongen.”

Denkt u er nog weleens aan terug?
“Zeker. Het was voor mij – en ook voor mijn collega’s – het hoogtepunt uit mijn carrière. Maar ik denk dat ik de beelden van die penaltyreeks in de voorbije dertig jaar maar drie of vier keer gezien heb. Ik doe daar verder niet nostalgisch over. Elk jaar op 7 mei vieren we het wel nog. Dan huren we met alle spelers en trainers van toen en hun familie – 150 à 200 man samen – een zaal af. De eerste dag houden we een grillparty en de dag erna spelen we een wedstrijd vijf tegen vijf: spelers uit de ploeg van 1986 tegen mensen uit de pers en de showbizz. Dit jaar was het door het overlijden van Lucian Bălan (de voormalige middenvelder nam in november 2015 een overdosis geneesmiddelen, red.) de eerste keer dat we niet meer voltallig konden zijn.”

Het hele interview lezen? Bestel Staantribune #7 in de webshop!