Het is inmiddels 25 jaar geleden dat Torino voor het eerst – en tot nu toe ook voor het laatst – in zijn historie de finale van een Europees bekertoernooi bereikte. Het is voor de meeste supporters nog steeds een openliggende zenuw. Wanneer de naam ‘Ajax’ valt, verschijnen er grimassen op de gezichten van Toro-fans.

Het Torino van 1992 had met onder meer Lentini, Casagrande, Scifo en Martin Vasquez aansprekende namen in de gelederen. In de halve finale klopten zij het grote Real Madrid dat, onder leiding van Leo Beenhakker en met sterren als Butragueno, Michel en Hagi, vooraf als grote favoriet gold. In Bernabéu won De Koninklijke de heenwedstrijd met 2-1, een marge die ruimte bood voor een Italiaanse stunt.

soccerfanshop.nl

En die kwam er. De 60.000 toeschouwers in Stadio Delle Alpi werden twee weken later op een magische avond getrakteerd. Met een zwaarbevochten 2-0 overwinning was het grote doel bereikt. In de finale wachtte het jeugdige Ajax van Louis van Gaal. Op papier van minder zwaar kaliber, zo dachten de Italianen. Een misrekening, want wat de Madrilenen niet was gelukt, kreeg Ajax wel voor elkaar, met twee belangrijke doelpunten in de uitwedstrijd van Wim Jonk en Stefan Pettersson.

De 2-2 eindstand in Turijn zorgde ervoor dat de return in het Olympisch Stadion onder bijzondere hoogspanning werd gespeeld. Niet Ajax maar Torino moest op jacht naar een doelpunt, en daar kwam het team ook erg dichtbij. De Granata troffen maar liefst driemaal het houtwerk, maar de 0-0 bleef tot aan het laatste fluitsignaal op het scorebord staan. En hoewel anno 2017 niet meer dagelijks een Rennie hoeft te worden genomen, blijken die tre pali nog steeds zwaar op maag van Toro-tifosi te liggen.

Wie daar prachtig over kan vertellen is Domenico Beccaria, de president van het Museo del Grande Torino e della Leggenda Granata. Een flamboyant type dat geen blad voor de mond neemt, ook niet als het zijn geliefde Torino betreft. Hij bezoekt geregeld musea van andere clubs in Europa om inspiratie op te doen voor zijn eigen activiteiten.

Enige tijd geleden was hij in Amsterdam en bezocht hij de Ajax Experience. Na afloop overhandigde hij een boek over zijn eigen museum aan de rondleider die er even stil van werd. “Sorry, meneer Beccaria, maar wij kunnen u helaas niet iets soortgelijks aanbieden. Maar we hebben wel iets anders. Ajax heeft in 1992 immers over twee wedstrijden niet van Torino kunnen winnen en dus kunnen we in zekere zin stellen dat uw club die finale niet verloren heeft. Loopt u mee?”

Dat liet Beccaria zich geen twee keer zeggen. De avond van de return in Amsterdam stond ineens weer scherp op zijn netvlies en hij herbeleefde, lopend achter de Ajax-medewerker, weer al die hoofdpijnmomenten die hij nooit volledig achter zich had kunnen laten. Toen hij de UEFA Cup in zijn armen gedrukt kreeg, voelde dat weldadig. Alsof er een grote last van zijn schouders viel. Hier kon geen overdosis Paracetamol tegen op.

Heel even speelde hij met de gedachte om, als een soort Italiaanse Theo Maassen, de cup te ontvreemden en mee te nemen naar Turijn. Maar dat zou verkeerd zijn. Dit moment was een wat laat, maar adequaat medicijn. Toro’s nummer 14 Gianluca Sordo mocht dan in de voorlaatste minuut de bal snoeihard op de lat hebben geschoten, boven alles was de prestatie van dat team er een om trots op te zijn. Alleen voelt trots net iets lekkerder met de beker in je handen. En verandert een grimas alsnog in een grijns.Torino - Ajax 1992