Ik schrok toen ik Theo Janssen recent op televisie zag. Theo verkondigde tegen Joep Schreuder dat het hoofdtrainerschap zijn nieuwe levensdoel was. Het was serieus, zei Theo. Hij wilde hoofdtrainer worden. Niet van FC De Rebellen, maar van Vitesse. Natuurlijk vond ik dat, zeker als Arnhemmer, prachtig nieuws. Theo Janssen met dat Zlatanachtige charisma hoofdtrainer van Vitesse, Nicky Hofs als zijn assistent, Jhon van Beukering voor de spitsen en Piet Velthuizen als keeperstrainer, dat zou de mooiste (lees: gezelligste) dug-out van Nederland opleveren. Een cultsprookje gloorde in de niet eens zo verre toekomst.

Het slechte nieuws: ik vond Theo er zwaar uitzien. Te zwaar. Eerst dacht ik: het ligt aan mijn televisie, maar ook mijn laptop gaf heel veel Theo weer. Theo klaagde tegen Joep Schreuder. Hij had het zwaar, door kapotte knieën was een kilometer wandelen al een pijnlijke bezigheid. Maar ik had meer medelijden met die knieën dan met Theo.

Ik was teleurgesteld in Theo, nota bene mijn held. Je ambities als hoofdtrainer presenteren, maar eruitzien als een jongere hipstervariant van Jan Boskamp: dat is als je gezicht tatoeëren vlak voordat je jezelf kandideert voor het lijsttrekkerschap van het SGP.

Ik vroeg me af: is er iemand bij Vitesse met ballen die durft te zeggen: “Theo, graag een onsje minder? Als hoofdtrainer ben je een visitekaartje, heb je een voorbeeldfunctie.” Ik zie het algemeen directeur Joost de Wit, een man zonder vrienden en vijanden, niet zeggen. De enige die zijn bek los durft te trekken in de organisatie is Theo zelf.

Even later las ik een artikel over de Ajacied Nouri, de arme jongen die na een hartaanval voortleeft zonder leven. Een balverliefde hartendief, bruut bestolen door het geluk dat hem kiezelhard in de steek liet. De dag van de hartaanval scheen Nouri zich in Oostenrijk niet lekker te voelen, maar toch speelde ‘Appie’ tegen Werder Bremen. Dat heet, in onze prestatiecultuur, mentaliteit.

Niet luisteren naar je lichaam, maar naar je ambities. Signalen dat het lijf op is en niet kan ‘leveren’, overrulen. Altijd alles geven, dag in en dag uit. Doe je dat niet, dan ben je een Theo Janssen. En dan heb je in plaats van bij Real Madrid, vooral bij Vitesse Arnhem gevoetbald en niet alles uit jezelf gehaald. Op De Toekomst hangt er vast een ingelijste foto van Theo Janssen, met een biertje en een peukje. Theo, misschien wel net zo talentvol als zijn oude trainer Frank de Boer, ziet er heel gelukkig uit op de foto, maar hangt wel onder het kopje ‘Voorbeelden van hoe het niet moet’, naast papzakportretten van Brutil Hosé en Mido.

Natuurlijk weet je nooit waar een hartaanval vandaan komt. Nouri had een hartafwijking. Na het lezen van het artikel over Nouri dacht ik aan een vriend. ‘Robocop’, die verslaafd raakte aan hardlopen en op zijn werk een hartaanval kreeg, maar werd gered door een held die accuraat een AED bediende. “Een hartafwijking is door doctor Snuggles niet aangetroffen”, zei Robocop naderhand. “Maar ik denk wel: misschien ben ik te diep gegaan, heb ik mijn lichaam geprovoceerd.”

Het hart is een spier. En net als een hamstring of kuit, kan ook een hart in de kramp schieten door overbelasting. Hoe gezond is het leven in een prestatiecultuur, waar liever lui dan moe zelfverminking heet? De vriend heeft nu een hartkastje, vandaar de bijnaam Robocop. Robocop kan niks meer gebeuren. Ik hoorde laatst iemand zeggen: “Als we allemaal een hartkastje krijgen, dan is iedereen veilig en hoeven we niemand te reanimeren die uit zijn muil stinkt!” Geen gekke gedachte, maar een eerste stap is om beter te luisteren naar het lichaam.

Als er één iemand wel luistert naar zijn lichaam, is het Theo Janssen. Ja, misschien iets te veel. Als Theo moe is, is hij moe en pakt hij rust. Heeft hij zin in een biertje, pakt hij een biertje. Je kunt in die mentaliteit teleurgesteld zijn, zoals ik even was. Maar toen ging ik nadenken.

Waarom was Theo mijn held? Omdat Theo leeft voor zijn geluk. Ja, je kan alles uit je talent halen, doortrainen tot je moet braken, verhuizen naar een plek waar je familie en vrienden niet wonen en een leven lang met oogkleppen doelstellingen halen en dan worden als Cristiano Ronaldo, een megalomaan monster dat manisch juicht omdat de goal het niet-leven legitimeert.

Met topsportmentaliteit heb je aan het einde van de rit, wanneer dat ook moge zijn, veel gemist. Natuurlijk: je mist altijd meer dan je meemaakt. Maar Theo heeft veel minder gemist dan menig topsportcollega. Waarom? Omdat Theo schijt heeft aan de sektarische ‘alles-uit-jezelf-haal’ topsportdoctrine. Theo luistert naar zijn lichaam. Vooral naar zijn – zoals we in Arnhem zeggen – ‘hert’.

Theo’s grootste prestatie: hij is mens gebleven. Verkoos rust boven roem. En is – hoe gek dat ook klinkt – een voorbeeld van hoe je gezond leeft. Met plezier. Plezier sluit prestatie niet uit. Zelf zei Theo, twee keer landskampioen, eens: “Ik presteer het best wanneer ik me goed voel. Door te roken voel ik me goed.” Tegen Joep Schreuder zei Theo: “Op het veld geef je alles. Heb je een mindere dag, blijf je een keertje binnen. Geen probleem.”

Theo heeft schijt aan de datadictatuur, traint straks op gevoel en mensenkennis. Theo als trainer, het zou verademend verfrissend uitpakken. Ik ben om: het is tijd voor Theo. Theo wordt de nieuwe Bert Jacobs. Of Fritz Korbach. Hij is er creatief en eigenzinnig genoeg voor, gelukkig.