Studentenverenigingen zijn een onderdeel van de Nederlandse cultuur, zo werd vorige week bekendgemaakt. De verenigingen worden opgenomen in de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed, een lijst met Nederlandse tradities die als cultureel waardevol worden beschouwd, bescherming verdienen en waarvan we het belangrijk vinden dat ze worden doorgegeven aan volgende generaties.

Het nieuws wekte enige beroering, vooral door het beeld dat mensen in de regel van zulke verenigingen hebben. Brallende kakkers, parasiterende rijkeluiskindjes, ontsporende ontgroeningstaferelen – is dat nu cultureel erfgoed? De ‘studentenverenigingscultuur’, zoals de traditie op de lijst wordt genoemd, is volgens de samenstellers van de Inventaris echter in de eerste plaats een “levende, dynamische cultuur die de sociale cohesie bevordert en belangrijk is voor de identiteit” van de deelnemers.


Ik vroeg me onmiddellijk af of wij als pleitbezorgers van de authentieke supporterscultuur in dat geval niet ook in aanmerking komen voor een beschermde status. Ook voetbalsupporters worden immers onder invloed van onslijtbare vooroordelen en in de media breed uitgemeten excessen al gauw gezien als ontspoorde nietsnutten die de gemeenschap bakken met geld kosten. Maar ook bij ons draait het in de eerste plaats om culturele identiteit en sociale cohesie.

Er blijken vier criteria te zijn om tot immaterieel cultureel erfgoed te worden uitgeroepen:
– de inzending moet voldoen aan de definitie van de UNESCO,
– er moet sprake zijn van een levende cultuur,
– de traditie moet worden gedragen door een gemeenschap
– en er dient een ‘erfgoedzorgplan’ worden opgesteld.

De definitie van immaterieel erfgoed volgens UNESCO luidt als volgt: “Immaterieel erfgoed is ‘levend erfgoed’. Het omvat sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, bijzondere kennis of vaardigheden die gemeenschappen en groepen erkennen als een vorm van cultureel erfgoed. Een bijzonder kenmerk is dat het wordt overgedragen van generatie op generatie en belangrijk is voor een gemeenschappelijke identiteit.”

Zo bezien maken we zeker een kans. Tradities en vaardigheden als staande de wedstrijd volgen en in de hekken klimmen, rituelen als het goed getimed aanheffen van – soms vele decennia oude – gezangen en georkestreerd vlagvertoon, het wordt van generatie op generatie doorgegeven en is identiteitsvormend en -bepalend.

En het blijkt ook allemaal niet onder te doen voor de specifieke gebruiken van studenten. Een grappig voorbeeld: de NOS vroeg een student naar die studentencultuur. Hij antwoordde: “Een voorbeeld is dat je niet met je rug naar de bar mag staan.” Inderdaad, nooit met je rug naar het heiligdom gaan staan – waarmee we ook meteen een cultuurhistorisch argument hebben dat het met de armen om elkaars schouders van het veld af gekeerd heen en weer stuiteren, wat die ‘sneukezen’ van 410 en sindsdien heel wat copycats van andere clubs plegen te doen, níet tot de ware voetbalcultuur behoort.

Zo zijn er meer overeenkomsten. In de studentenverenigingscultuur heb je de traditie van het ‘zooien’ of ‘brassen’. Dat gebruik heeft twee betekenissen: eregevechten tussen studenten en het ontvreemden van verenigingsobjecten, waarbij Wikipedia nog als toelichting geeft: “bijvoorbeeld een banner, logo of vlag”. Hier wordt het echt interessant. Het jatten van een vlag van de concurrent, bij voorkeur tijdens de wedstrijd, behoort immers tot de klassiekers van de supportersrivaliteit (zie openingsfoto van FC Den Haag – Ajax uit 1987). Zo bezien komen we toch glansrijk in aanmerking voor die lijst!

De moderne stadions maken het tegenwoordig echter steeds lastiger dat ritueel nog in ere te houden. En er liggen meer tradities onder vuur: bier drinken, sightseeing van de binnenstad bij uitduels, natuurgras, bepaalde gezangen, opblaasbananen, Bengaals vuurwerk. De KNVB maakt blijkens onlangs uitgedeelde straffen zelfs al geen onderscheid meer tussen het ritueel van de massale pitch invasion als uiting van euforie bij een kampioenschap of lijfsbehoud, en een veldbestorming als primitieve klopjacht op spelers van de tegenstanders.

Wordt ook aan de andere drie criteria voldaan? Dat er bij de authentieke supporterscultuur sprake is van een levende cultuur die bovendien door een grote gemeenschap breed wordt gedragen, behoeft geen verdediging meer als je de vele initiatieven beziet die er de laatste jaren zijn ontplooid – Staantribune is daar nog maar een van vele voorbeelden van.

Er is alleen nog geen ‘erfgoedzorgplan’. Studentenverenigingen schreven een plan waarin acties werden geformuleerd om de tradities blijvend door te geven. Misschien moeten een aantal kopstukken ook maar eens een vergadering beleggen. En het is hard nodig ook, want met als nieuwe grote Zeister roerganger Gijs de Jong, zaakbepleiter van de beloftenteams en belangenbehartiger van de kunstgrasmaffia, zal ons klassieke erfgoed alleen maar meer onder druk komen te staan.