Het is pas de twaalfde minuut van de Champions League-finale Juventus-Ajax (1996) als Fabrizio Ravanelli de score opent. De spits van Juventus wordt in die jaren Penna Bianca (Witte Veder’genoemd, wat natuurlijk alles heeft te maken met zijn grijze haardos. Vicepresident van zijn club is op dat moment Roberto Bettega, zelf ook een roemruchte oud-spits van de Bianconeri. En eveneens gezegend met een al vroeg grijzende coupe, wat hem jaren eerder de eretitel Penna Bianca opleverde. Maar zijn andere bijnaam, Bobby Gol, doet meer recht aan zijn voetbalkwaliteiten.

Bettega, die vandaag 66 is geworden, is opgegroeid in de jeugdopleiding van Juventus en werd uitgeleend aan de Serie B-club Varese. Een veelgebruikt recept om talenten ervaring op te laten doen, of zoals ze in Italië zeggen: “Farsi le ossa.” Botten kweken, gehard worden. En dat gebeurt, want met dertien goals heeft Bettega tijdens het seizoen 1969-1970 een groot aandeel in het kampioenschap van de club en daarmee in de promotie naar de Serie A. De technische leiding van Juve heeft na dat ene seizoen genoeg gezien en haalt hem meteen terug voor het grotere werk. Met zijn stijlvolle techniek, tweebenigheid en kopsterkte, heeft Bettega alle wapens in huis om tot een van de grootste spitsen van Italië uit te groeien. In het seizoen 1971-1972 wordt zijn rijzende ster echter abrupt een halt toegeroepen. Tuberculose heet de plaaggeest, maar deze ziekte kan een glansrijke carrière niet structureel in de weg staan.


De geboren Turinees schiet zichzelf in de jaren die volgen in allerlei recordlijstjes van de club. En hij vult samen met zijn ploeggenoten de prijzenkast van De Oude Dame met zeven landstitels en twee nationale bekers. Ook in het Italiaanse elftal is hij succesvol en behoort hij tot het selecte groepje van vertrouwelingen van keuzeheer Enzo Bearzot. Op 15 oktober 1977 scoort hij in de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Finland maar liefst viermaal. Eenmaal in Argentinië zorgt zijn goal voor de enige nederlaag van het thuisland, dat uiteindelijk wereldkampioen zal worden. Bettega is de geboren leider en een voorbeeld voor zijn jongere collega’s binnen de Squadra Azzurra.

Eind 1981 raakt hij ernstig geblesseerd in een Europacupwedstrijd tegen Anderlecht en moet hij noodgedwongen het WK van 1982 laten schieten. Niet hij, maar zijn kompaan bij Juventus, Paolo Rossi, wordt de grote ster van het toernooi en Bettega ziet zijn generatiegenoten van een afstandje wereldkampioen worden.

Na de verloren finales van 1973 (tegen Ajax) en van 1983 (tegen HSV) weet Juventus in 1996 wel de Europa Cup I te winnen. In Rome, na het beter nemen van strafschoppen tegen de ploeg van Louis van Gaal. Mede dankzij zijn opvolger Ravanelli heeft Bettega als bestuurder eindelijk de Cup met de Grote Oren in handen. Driemaal heeft hem scheepsrecht gebracht.

Wat blijft, is de herinnering aan een gentleman op het veld met een techniek en doelgerichtheid die hem tot een van de meest aansprekende Italiaanse spitsen aller tijden maken. Ook zonder fysieke aanwezigheid bij het succes van zijn generatiegenoten, vormt hij een van de boegbeelden van de succesvolle Azzurri in de periode 1978-1982.