Het was de mooiste dag van het voetbalseizoen. Althans, voor een tienjarige jongen: de open dag. Als Arnhems kind vond ik de open dagen van Vitesse op Nieuw-Monnikenhuize geweldig. Normaal, tijdens thuiswedstrijden, stond er een metershoog hek tussen mij en de spelers in. Op de open dag was dat hek er ook, maar stond het open, eenmalig, net als alle andere deuren op het sportpark. Spelers liepen vrij rond, gewoon tussen de bezoekers. Eén dag in het jaar waren ze letterlijk aanraakbaar en aanspreekbaar, net als de voorzitter, Karel Aalbers, de grote ster van de club (prominent aanwezig op de elftalfoto).

Een open dag betekende op die leeftijd: handtekeningen jagen. Afhankelijk van de portemonnee van je ouders kocht je bij de entree een Vitesse-pen en een grote handtekeningenkaart waar de hele selectie op stond of je schafte losse spelerskaarten aan. Die losse spelerskaarten waren mooier, maar de complete selectie ‘los’ kopen was duur. Ik kreeg een grote handtekeningenkaart, met daarop van iedere speler een miniportretje, met daaronder een vakje waarin de handtekening moest. Doel: alle vakjes vol krijgen. In ieder geval meer dan de eveneens handtekeningenjagende buurjongen, met wie ik eigenlijk altijd in competitie was.

Het was Pokemon-jagen, maar dan leuk. De spelers sjouwden over het complex en konden overal uithangen: het trainingsveld, het spelershome, de kantine, de kleedkamers…. Zaak was ze te identificeren, wat lastig was met de spelerskaart met minifoto’s. Basisspelers als Theo Bos, Edward Sturing, Raimond van der Gouw, Phillip Cocu en John van den Brom herkende je wel. Vooral Bos (kaal) en Sturing (stekels), met hun later iconisch geworden koppen. Bij dat soort mannen was het een kwestie van durven vragen. Die eerste handtekening van de dag was doodeng, ik had soms letterlijk een duwtje in de rug van mijn pa nodig, maar daar moest je doorheen, door die angst (net zoals jaren later, in de kroeg, als je een meisje moest aanspreken, maar toen was er drank…).

Na twee, drie keer aarzelend vragen, kreeg je zo’n kick dat je de hele dag op adrenaline rondstuiterde, “Mag ik uw handtekening?” vragend. Mijn pa vond het prima, die handtekeningenjacht. Hij had geen kind aan zijn kind. Pa was makkelijk terug te vinden: speciaal voor mij bleef hij de hele dag bij de bierkraam staan. De spelers met wie hij die dag een biertje dronk en een praatje maakte, vond hij het leukst. Achteraf heel erg: maar dat was Patrick Pothuizen, toen nog linksbuiten. Pa: “Als die gozer net zo kon voetballen als lullen…” Later zou pa ‘Potje’ diep gaan haten, nadat hij naar NEC ging en daar heel erg anti-Vitesse ging doen.

Spelers als Abe Knoop, Ante Mise en Theo ten Caat die weinig minuten maakten – je wist als kind amper wie dat waren. En dus sprak je onder tijdsdruk (vóór de spelerspresentatie op het veld moest je de handtekeningen binnen hebben) mannen aan in Vitesse-kleren die niet moddervet waren. “Bent u een speler van Vitesse?” En dan begon er een Arnhemmer te lachen, zijn vrouw aanstotend. “Truus. Dat gozertje vraagt of ik een speler van Vites ben.” Truus: “Dat jong heeft de lenzen niet in. Kijk je pens. Je kunt zeggen dat je Curovic bent…”

Sommige spelers gaven redelijk ongeïnteresseerd hun handtekening, of deden alsof. Logisch, na driehonderd keer krabbelen word je er vast ramgek van. Toch leek het mij het de mooiste rol op aarde: profvoetballer zijn. Rondsjouwen op de open dag, mensen die je aanklampen voor een handtekening en doen alsof dat heel normaal is in je leven. Ik had nog niet eens een handtekening. Als ik ooit Vitesse-speler zou worden, net bij de selectie, zou ik de mensen vragen: “Mag ik u misschien een handtekening geven? Ja, ik sta op die kaart. Linksonder. Remco Kock. Mijn eerste seizoen bij het eerste is het…”

Natuurlijk werden er ook veel foto’s geschoten op zo’n open dag. Het was de tijd van fotorolletjes, wat schitterende scenes opleverde. Ik herinner me deze: “Mamma, ik wil met hem op de foto.” Waarop mamma antwoordde, net iets te luid: “Met Willem Korsten? Is dat niet zonde van het rolletje? We hebben nog maar twee foto’s, lieve schat. Straks kan je niet meer met Glenn Helder en Roy Makaay omdat ‘t rolletje vol is…”

Het waren onvergetelijke open dagen, met Monnikenhuize (een stadion met omringende velden) als handtekeningenjachtgebied. Tot GelreDome in gebruik werd genomen. Vitesse werd een hype, de fanschare verdrievoudigde. Zoals dat gaat met schaalvergroting, bijvoorbeeld op scholen en in de zorg, werd het er niet leuker op. Ja, het springkussen werd groter, de merchandising ontplofte, maar het handtekeningen jagen zoals ik het kende, was in GelreDome over en uit.

Niet omdat ik te oud was, maar omdat Vitesse, vanwege de drukte, de spelers in blokkenschema’s beschikbaar stelde. In plaats van spelers zelf op te sporen zoals op Monnikenhuize, zaten ze nu als schrijvers van bestsellers klaar achter marktkraam-achtige tafels. Net zoals bij Ajax. Het enige wat je moest hebben was geduld, want de rijen waren lang. Maar dat was niks, wachten. Je kreeg er nauwelijks een kick van. Alsof je in de rij stond bij de kassa van de Albert Heijn, terwijl je gewend was in het bos je eigen everzwijn te schieten. Handtekeningen jagen was geen handtekeningen jagen meer. Het was handtekeningen wachten geworden.