Vakanties met het gezin, die gingen in mijn jeugd in de jaren negentig geheid naar het Gardameer. Noord-Italië. Geen Frankrijk. Frankrijk, dat was als boodschappen doen bij een tankstation. Gemakzuchtig en duur. Een Magnum kostte in Frankrijk vijf gulden. Diefstal! Twee keer zoveel als in Nederland!

Die prijzen waren zo hoog omdat Fransen eigenlijk geen toeristen pruimden. Fransen beschouwden toeristen als luidruchtige tokkies die het bovengemiddelde IQ in hun land verlaagden, de rijen bij de kassa’s verlengden, kortom: als een soort een duivenplaag die hun prachtland beroofde van de zalige, beschaafde rust. Niet zij, maar wij waren de dieven.

De Fransen wilden als een God in eigen land blijven leven. Ook zomers. Daarom spraken Fransen geen Engels, of deden alsof. Die onvriendelijkheid en hoge prijzen, ze waren bedoeld als een onzichtbare Trumpiaanse muur tegen toerisme. Leerden de Fransen vast van Johan Cruijff, die geen lezingen wilde geven en daarom afschrikwekkend hoge bedragen vroeg.

Fransen, mijn pa vond het ondankbaar en arrogant volk. Liever had pa Duitsers, vooral, maar niet alleen vanwege hun curryworst en bierbrouwkunst. Duitsers liepen sinds de oorlog op eieren. Je sloot niet uit dat Duitsers thuis, achter het gordijn, nog steeds onzalige mensen waren die dineerden met smalle plaksnorren op. In het openbaar waren ze veroordeeld tot poeslief gedrag. Echt of niet, de sfeer was er gastvrij en vriendelijk. Echter, naar Duitsland op vakantie, dat kon je in onze buurt niet verkopen. Niet avontuurlijk genoeg. Naar Duitsland op vakantie, dat was als een tosti bestellen bij de lunch in een goed restaurant. “Een tosti kun je thuis ook maken”, ik hoor het mijn moeder nog zeggen.

Ik keek net zo uit naar die Gardameer-vakanties als Wim Kieft naar trainingskampen. Ver weg van vriendjes, televisie, de SuperNintendo, voetbalposters en mijn geliefde eigen bedje, het voelde als een brute ontvoering. Mijn broertje en ik werden vroeg in de ochtend, in het pikkendonker, uit bed getrokken en met riemen vastgebonden op de achterbank van onze Opel Astra, een lading als mondknevels fungerende lolly’s binnen handbereik. En dan twee dagen in die magnetron op wielen zitten, luisterend naar Bassie & Adriaan-cassettebandjes en het gevloek van mijn ouders, op weg naar een privacyloze, claustrofobische, snikhete stacaravan. Het diende maar een doel: drie weken geen contact met opa en oma. Op een verplicht, makkelijk te onderbreken telefooncelbelletje (‘O, ons muntgeld is op!’) na.

Er was geen airco, geen TomTom, wel onverstaanbare radio. In die broeikas borrelde de waanzin boven. Mijn pa werd in de bloedhete Open Astra vanzelf een Jack Torrance uit The Shining. Het was wachten op de uitbarsting, die kwam zodra mijn navigerende ma voor de eerste keer zei ‘dat we er bij die vorige toch af hadden gemoeten’. En dan had je nog vrachtwagens die andere vrachtwagens inhaalden en daar drie dagen over deden (Jack werd gek).

Je zag soms letterlijk geen licht meer aan het einde van de Gotthardtunnel als je in een eindeloze file terechtkwam. Daar zat je dan, in je magnetron op wielen, omringd door talloze andere, eveneens stilstaande magnetrons op wielen. Muurvast in een dichtgeslibde verkeersader, terwijl pa, zijn Jack Torrance-hoofd op het stuur bonkend, wanhopig schreeuwde dat hij  ‘weer de verkeerde strook’ had gekozen. In andere auto’s zag het er stukken kalmer en koeler uit. Volgens mij pa had dat niet met die mensen te maken, maar met airco, een uitvinding die alleen ‘rijke stinkerds’ zich konden veroorloven.

Uiteindelijk arriveerde je, na twee of drie dagen, uitgeput op de plaats van bestemming: een camping aan het Gardameer, waar ik in gevecht moest met mijn verlegenheid om nieuwe vriendjes te maken. Lukte dat niet, vriendjes maken, dan voelde je jezelf van binnen de Klokkenluider van de NotreDame. Een geestelijk mismaakte freak. Met een sociaal isolement van hun kinderen waren mijn ouders ook niet blij, want we moesten spelen, weg van de caravan in ieder geval (vermoedelijk diende er geneukt te worden).

Natuurlijk nam ik mijn beste vriend mee naar die camping. Dat is ‘ie nu niet meer trouwens, sterker, we hebben nog maar zelden contact, de bal en ik. Toen waren we onafscheidelijk. Zeker op zo’n vakantie, wat ik beschouwde als een trainingskamp. Want je wilde na de zomer ‘bij de selectie’. Dus probeerde ik mijn maatje heel veel hoog te houden, speelde er flessenvoetbal mee en er was altijd wel zo’n sadistisch gravelveld in de buurt met goals, waar je internationaal voetbal speelde met andere vakantiegangers en je knieën en ellenbogen openhaalde, zodat je niet kon doen waarvoor je eigenlijk op vakantie was: zwemmen.

Waar ik wel naar uitkeek: de voetbalshirtjes in Italië. Grote vraag was: in welk shirt investeerde je het spaargeld? Kocht je één echte, of drie neppers? Nepshirts, fake-shirts, replica’s, te koop op markten en in toeristenwinkels. Echte shirts vond je in sportwinkels. Hoewel ik altijd officiële shirts kocht, waren nepshirts een mooie daad van verzet tegen de sportfabrikanten die misbruik maakten van clubliefde en ‘Franse’  (lees: belachelijke) bedragen vroegen voor voetbaltricots.

Natuurlijk waren die nepshirts lelijk, maar ze waren bedrukt met namen en rugnummers. Anderen vonden dat prachtig, ik kocht juist daarom nooit nepshirts. Het waren – door die namen – wegwerpshirts. Je wist dat een zomer later de naam op je rug was als een vlek die je er nooit meer uitkreeg, omdat de speler alweer bij een andere club voetbalde. Een ‘echt’, onbedrukt shirt had iets tijdloos.

Nepshirts waren een afspiegeling van de voetbalverhoudingen in Europa. Was je als club of speler een nepshirt, dan stelde je wat voor. Dat er Ajax-shirts waren met De Boer en Kluivert, dat stemde je ook als niet Ajaxgezinde Nederlander trots. We waren vertegenwoordigd. We hingen er toch maar mooi tussen. Anderlechtshirtjes, die zag je niet.

Ik kom uit Arnhem, Vitesse-fan dus. In de jaren negentig groeide onze club onder voorzitter Karel Aalbers richting de Nederlandse top. Ieder jaar liepen we steeds net wat rechter op over de camping met ons Vitesse-shirt aan. Niet zo kaarsrecht en uitgeëvolueerd als Amsterdammers (als een Van Gaal: kin omhoog, alsof er een bezemsteel was ingeslikt), maar zeker niet meer met kromgebogen rug. Vooral de komst van Gelredome bracht aan het Gardameer trots teweeg.

En toen was daar die zomer van 1998, nadat Nikos Machlas in Vitesse-shirt Europees topscoorder werd en de Gouden Schoen bemachtigde. Het was als een fata morgana: op een marktplein, ergens in een middelgroot Italiaans stadje, troffen we – tussen tricots van Real Madrid, Barca, Juventus – een nepshirt van Vitesse, met ‘Machlas’ achterop. Het hing daar echt, ook na meerdere keren knipperen met de ogen. Een legendarisch moment, iets waarover je nu zou twitteren.

Ik weet niet hoe lang, maar zeker een kwartier hebben we naar dat nep Vitesse-shirt staan kijken. We waren trots. Mijn vader keek ongelovig om zich heen, zoekend naar Bananasplits Ralph Inbar, die dat Machlas-shirtje vast had neergehangen en ergens verstopt moest zitten, in een caravan met een schotel erop. Pas na een half uur, nog steeds geen spoor van die verrekte Inbar, wisten we het zeker: we tellen mee. Twee dagen in een helse magnetron op wielen zitten (en dan straks nog twee dagen terug), het was het ineens waard geweest.