Met voetbal was ik klaar. Alleen was stoppen moeilijk, met mijn vader. In deze tijd zou stoppen makkelijker zijn. Nu zijn er argumenten die toen nog niet bestonden: het kankerverwekkende kunstgras en het feit dat koppen schadelijk is voor een onvolgroeid brein. Wat voor een ouder doet zijn kind – met de kennis van nu – eigenlijk op voetbal?

Ik was niet zo’n teamsporter. Drie keer in de week dezelfde hoofden zien, dat hysterische geschreeuw als je een fout maakt, doen alsof de wereld vergaat na een nederlaag en tegenstanders die je auw willen bezorgen. Ja, het zou wel jammer zijn als ik die geniale kleedkamerhumor moest missen (zoals een stuk tape op je behaarde been plakken, haha). Maar ik kreeg de kriebels van ’t soms benauwende voetbalwereldje (deed je havo-vwo, dan was je de ‘professor’). Nou ja, plan B lag al klaar. Tennis. Dan kreeg je lekker veel de bal, een bal die je niet hoefde te koppen, als je een fout maakte dupeerde je geen teamgenoten en bovendien hoefde je geen fysiek contact te hebben met kerels.


Al in de jeugd, rond mijn zestiende, wilde ik overstappen naar tennis, maar mijn vader verbood dat min of meer. Mijn pa was (is, hij leeft nog) een voetbalfanaticus. Van voetbal overstappen naar tennis…. zo’n schandelijke, beledigende overstap kon pa niet tolereren. Wat moesten zijn vrienden wel niet van hem denken, als zijn zoon de bal met een racket ging meppen?

Van zijn eigen ouders mocht pa als kind nooit ‘op voetbal’, die vonden de sport – toen al – te gevaarlijk. Als ik als kind ging voetballen in het park, dan ging pa mee, zijn jeugd inhalen. Tijdens de grote partij was pa John de Wolf. John raakte vaker kinderschenen dan de bal. Pedagogisch verantwoord schoppen, want John leerde kinderen zo – naar eigen zeggen – om sneller over te spelen (“een keer raken”). Een hernia noopte pa te stoppen op zijn dieptepunt.

Stoppen, dat kon ik pa niet aandoen. Hem zijn zaterdagmiddag afnemen… Sowieso zou hij niet bij het tennis komen kijken en geen cent contributie betalen. Onder druk ging ik door, voor pa. Ik moest die ouwe niet tegen me krijgen, ik kon niet zonder hem en zijn portemonnee en was bang dat hij me zou onterven. Pas als twintiger kapte ik met voetbal en begon ik met tennis. Samen met bevriende ex-voetballers (overlopers) richtten we een competitieteam op. Tennis. Een verademing. Geen verplichting. Je speelde wanneer je wilde. Niet ieder weekend een dag kwijt. Geen wedstrijden meer tegen teams die voetbal beschouwden als een vechtsport met bal. Ook mijn vrienden waren onderhand wel voetbalmoe.

Toen kwam, snel, te snel nadat we met tennis begonnen, de dag van ons competitiedebuut. We speelden uit. Onze tegenstanders hadden hockeykapsels en verwelkomden ons met taart (“van een hele goede bakker”). Was er iemand jarig? Nee, dit hoorde zo: de thuisspelende partij ontving de tegenstander met iets lekkers. En in plaats van vlug de baan op te gaan, beginnen, was er een informele kennismakingsronde (“Zeg, kerel, wat doe jij voor de kost?” – het klonk als netwerken). We waren, als ex-voetballers, in shock. De tegenstander was dat op hun beurt weer van ons gescheld, even later, op de baan, toen zelfs de onderhandse opslag niet in het servicevak viel.

“Mooie bal”, schreeuwde de tegenstander aan de overkant van het net, als je toevallig een ‘winner’ sloeg. De eerste keer dacht ik dat die gozer me in de maling nam, maar ook dit hoorde bij tennis: je tegenstander complimenteren. En er was geen scheidsrechter, in of uit, dat bepaalde je in ‘consensus’ met de tegenstander. De tegenstander, die de hele tijd gastvrij vroeg of je ‘oké’ was (dus of je nog wat wilde drinken).

We vonden het toch maar een rare, ongemakkelijke sport, tennis. Later, toen we zelf wat beter werden en de partijen dus spannend, kwamen we erachter dat al die vriendelijkheid geacteerd was. Schijnheiligheid. Ook tennissers willen winnen, alleen acteren ze dat ze te intelligent zijn om zich mee te laten slepen door een spelletje. Op de tennisbaan ontstond er nooit ruzie, wel ‘onenigheid’.

In de voetbalkantine voelde ik me, achteraf, meer thuis. Mensen gedragen zich er natuurlijker, eerlijker. Als beesten, ja. In het hockey is voetbal zelfs een scheldwoord, een synoniem voor ‘proleet’ (“hé, het is hier geen voetbal!”). De tennisser doet al te opzichtig zijn best het beest in zichzelf te verbergen, te ontkennen. Omdat ik geen zin meer heb in het verplichte trainen, en het spel leuker vind dan de cultuur, tennis ik nog steeds. Met wie? Onder anderen met mijn pa. Die is nu wederom John. John McEnroe.