Zou die geborneerde schrijver en televisiepersoonlijkheid uit de Koekstad, Özcan Akyol, nog voetballen? Ik vroeg het me af toen ik laatst langs de kant van een amateurveld stond, als lullige regioverslaggever met kladblokje in de kou, kijkend naar een net niet ontsporend vierdeklasse duel. Dat was in Lent, waar een ploeg uit Arnhem-Noord op bezoek was en waarbij het dorp zicht- en hoorbaar schrok van de stad.

“Als ze zo willen winnen… Ik ben blij als het afgelopen is”, verzuchtte een grijsharige toeschouwer over de Arnhemse bezoekers, die op en soms over de grens voetbalden. Het duel liep door blessurebehandelingen en een boel kunstgrastheater twintig minuten uit. De Ernummers hadden schijt aan Fair Play, riepen continu best intimiderend ”hè scheids!” naar een lookalike van Vader Abraham en conformeerden zich niet aan het KNVB-reglement, maar aan de hardere wetten van het straatvoetbal. Ik dacht aan de kampers uit onze buurt, vroeger. Hoewel ze met hun melkwitte obesitaslijven niet konden voetballen, wonnen ze op straat alles. Niemand durfde van kampers een bal af te pakken, laat staan te winnen.

De wedstrijd was een cultuurclash tussen het dorp en de stad. De stad, waar andere normen een waarden gelden: geen normen en waarden, vanuit dorpsperspectief. De Lentenaren langs de kant walgden van een zonnebankbruin Arnhems meisje in het publiek, dat schreeuwde dat ze ‘de stok’ van de Lentse grensrechter ‘zo in diens gezicht zou meppen’. “Wat een ordinair wijf”, fluisterde een dorps ‘menneke’. “Vijftig euro, dan mag je er zo op…” 

“Wij moeten maandag weer werken”, verzuchtte een ‘dorpspeler’ na afloop, alsof hij suggereerde dat hij tegen een leger bijstandstrekkers had gespeeld. “Dus je bent al lang blij dat je heel het einde haalt. Nee, deze wedstrijden voetbal je niet voor je lol. Sommige gasten speelden alsof voetbal een vechtsport met bal is.”

Kijken naar ‘volksclubs’ is als genieten van illegaal vuurwerk. Je weet dat die te korte lontjes afkeurenswaardig bezig zijn, toch worden je ogen richting het veld gezogen. Want de voelbare spanning  – ontploffen de korte lontjes, loopt het uit de hand? – overstijgt de vraag welke ploeg er gaat winnen. En dan ging het in bovenstaand voorbeeld nog om een eerste elftal.

Terwijl ik geboeid keek naar de confrontatie tussen boeren en straatvechters, waaierden mijn gedachten richting Özcan Akyol. De auteur met die karakteristieke kop die menig blanke islamofobe dorpeling eerder associeert met Opsporing Verzocht dan de Televisier-Ring, een prijs die Özcan bijna won. Inderdaad, op portretfoto’s die de kaften van zijn boeken (ont)sieren ziet Özcan er niet uit als iemand die je op zondagochtend op een voetbalveld wil treffen. Maar dat kan wel, als je voetbalt in de buurt van Deventer. Want in ieder geval tot voor kort speelde Akyol in het naar eigen zeggen beruchte IJsselstreek 3.

Ik citeer uit een interview dat ik voor Staantribune #8 had met de toen in Poetinshirt schrijvende ‘Eus’: “IJsselstreek is berucht, we staan als aso’s bekend. Het is een club van kampers en wat verdwaalde Turken. Dat imago levert ons minstens drie overwinningen per jaar op, als tegenstanders ons opbellen om te vertellen dat ze niet komen. Of we asjeblieft 3-0 op het wedstrijdformulier willen zetten. Tegenstanders die wel durven zijn bevooroordeeld en ontzettend agressief. Zo van: de aanval is de beste verdediging tegen dat tuig.”

Even verderop voegt Eus toe: “Eigenlijk slaat het helemaal nergens op, amateurvoetbal. Nee, in wat ik op zaterdag meemaak zit geen boek. Wat er gebeurt en wat er wordt geschreeuwd gaat zo ver, dat het op papier over-the-top en niet grappig meer is. Maar als je nog eens een interessante reportage over de kelder van het amateurvoetbal wil maken… Echt, je weet niet wat je hoort en ziet.”

Misschien moet ik de uitnodiging alsnog accepteren en de reportage realiseren, voordat de bos wilde haren van IJsselstreek 3 door de vergankelijkheid is uitgedund en Özcan – inmiddels vader van twee kinderen- echt met voetbal is gestopt.