Ik kijk bijna geen WK. Misschien boycot ik – onbewust – Poetin. Rusland, Qatar… Liefdeloos hoe WK’s verkocht zijn aan ordinaire hoogste bieders, bieders die het toernooi gebruiken als goed daglicht om kwaad daglicht te verbergen, met als historisch dieptepunt een winter-WK in de woestijn met stadions waarvoor is gestorven, waarmee de FIFA de boodschap uitdraagt dat alles te koop is in dit leven.

Dat is de politiek correcte, Sunny Bergman-achtige versie. De waarheid is dat dit WK me weinig interesseert. Het komt vast nog, maar gek is het wel, om niet verkleefd aan de televisie te zitten nu. Misschien is er teveel voetbal. Het WK voelt als het toetje na anderhalf uur bunkeren in een all you can eat-restaurant.

Een andere, voor de hand liggende reden dat ik het WK moeizaam verdraag, is dat Nederland niet deelneemt. Niet dat het te pijnlijk is, maar er moet wat op het spel staan. Je kan gaan wedden of voor (of juist tegen) België worden, maar dat is me te surrogaat.

Voor mij gaat het niet op, geleuter dat je als neutrale toeschouwer zo lekker ontspannen kan kijken. Je leeft toch het liefst op het puntje van je stoel? Veel mensen missen juist die spanning en dan vooral de ontlading ervan. Omdat je als neutrale toeschouwer geen halve krat bier kan drinken en schelden en schreeuwen naar een groot scherm, want dat was toch de belangrijkste functie van Oranje in de zomer. Die van nationale uitlaatklep.

Gelukkig heb ik die uitlaatklep tegenwoordig minder nodig. Mis ik het Oranjecarnaval? Nee, ik mis het gekkenhuis niet, het nuchtere Nederland dat zich uitslooft om het gekst van de wereld te doen. Dat gek doen normaal wordt. En dat het gek is, als je normaal doet. Ik gooide mezelf vol bier om gek en dus normaal te worden. Dat ging zo vanaf het EK 2004, toen ik ‘uit huis’ ging kijken. In de stad met vrienden. Daarvoor, als kind, zat ik thuis voor de buis met mijn pa.

Thuis was pas echt een gekkenhuis. De droom van pa en mij: samen wereldkampioen worden. Het werd een obsessie, die wereldtitel, vooral nadat pa en ik een wonderlijke ontdekking deden. Ons gezin, ontdekten we, had invloed op het resultaat van Oranje. Voorbeeldje: spaghetti was het recept voor succes, want dat bracht geluk. De buren aten trouwens op eindtoernooien de tegenstander op (bijvoorbeeld couscous voor Nederland – Marokko). Ze baalden dat Nederland nooit China lootte.

Er was meer en er kwam steeds meer: pa moest op de grote bank zitten, ik op de kleine. We droegen geluksonderbroeken. Hoewel we paprikachips prefereerden, aten we naturel omdat we ooit met naturel chips op tafel van Cyprus hadden gewonnen. “Gadverdamme, naturel. Maar we weten waarvoor we het doen”, zei pa dan, een handje naturelchips nemend. Het werd ingewikkeld, zodanig dat ik vragen stelde als: “Dit glas, bracht dat nou geluk of juist niet?” Pa: “WEG MET DAT GLAS, GEK!”

Ik vermoedde dat met de ogen dicht kijken geluk bracht, maar geblinddoekt voor de tv zitten, vond mijn pa een brug te ver. Een andere maatregel vond pa niet te ver gaan. Mijn moeder moest boven blijven, ze bracht Oranje ongeluk. Niet onprettig, omdat ze maar niet begreep wat buitenspel was. Nadeel: zelf drinken en wat lekkers pakken.

Het was echt waar trouwens. Kwam mijn moeder naar beneden, een sinasje inschenken, werd de tegenstander direct gevaarlijk. “WEG! WEG! NAAR BOVEN, MENS!” schreeuwde pa dan naar ma, die bij hoog oplopende emoties “mens” werd genoemd door mijn vader.  Ik weet niet meer of we met moord dreigden, maar we gaven ma een onwelkom gevoel in haar eigen huiskamer. Al zeiden we wel: “Kom gerust in de rust, dan kan er niks misgaan.”

Mijn oom wilde bij ons Oranje kijken, maar dat mocht niet. In 1994 was hij bij ons toen we eruit vlogen tegen Brazilië (Branco). De conclusie dat mijn oom ongeluk bracht werd later in Gelredome –  toen Vitesse in het begin nooit verloor, behalve die twee keer dat we mijn oom meenamen – bewezen.

Het motto van pa en mij was: geluk dwing je af. Een dwangneurotische overtuiging waar je nooit meer vanaf komt. Sinds 1994 heeft pa geen Oranje en Vitesse meer met mijn oom gekeken. Voor thuiswedstrijden van Vitesse eten pa en ik bananen en betreden we door het meest linkse toegangspoortje Gelredome (en worden onrustig als dat poortje defect is). Ik voel me nog steeds schuldig over het WK 2010. Zes keer keek ik op het Jansplein in Arnhem. De zevende wedstrijd, de verloren finale, zag ik op De Markt. Over vier jaar, als we de oproep van de dan met een rollator rijdende Freek de Jonge ‘om het WK in Qatar te negeren!’ negeren, kijk ik bij pa en sturen we ma weer naar boven.