Omdat ik lijd aan het Syndroom van Wim Kieft, vermijd ik zogenaamde ‘Legends’-wedstrijden: oud-profs die voor een gelegenheid de kicksen onderbinden. Willen we onsterfelijk worden dan moeten we ouderdom zien als een ziekte. De tijd verlamt en verstramt mensen, al krijg je van de natuur de tijd om aan dat proces te wennen. Net als Wim kan ik slecht tegen vergankelijkheid en aftakeling, tegen het gegeven dat alles minder wordt, voorbijgaat en sterft. Toch kon ik er laatst niet onderuit om Oud-Vitesse te zien tijdens een wedstrijd ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Apeldoornse Boys.

Zelf let ik in dat soort nostalgiewedstrijden op schedels van oud-spelers (groeit er nog haar en komt het uit implantaten?) en hun buiken (groeit er vet en zo ja: hoeveel?). Je vraagt je af welke speler viagra slikt omdat diens derde vrouw – die qua leeftijd zijn dochter had kunnen zijn – een kind wil. Ik ben niet de enige die zo kijkt. Over de afscheidswedstrijd van Dirk Kuyt (niet gezien) hoorde ik vooral: Roy Makaay is dik geworden.

Tijdens Apeldoornse Boys – Vitesse viel me Raimond van der Gouw op. Vijfenvijftig, maar geen gram aangekomen. Natuurlijk is het de bouw van Van der Gouw, maar als je van een afstandje kijkt naar Remco Pasveer (links) naast Raimond (rechts), dan denkt de leek dat ‘die dikke’ links de keeperstrainer of de materiaalman is en die dunne de keeper.

Verder bleek de grap van Remco van der Schaaf – vetpercentage nul – dat oud-Vitesse onderhand een G-team was achteraf geen grap (‘Eigenlijk is iedereen blijvend beschadigd’). De een na de ander, waaronder Van der Schaaf zelf, strompelde naar de kant om zich te laten wisselen vanwege een opspelende chronische blessure. Theo Janssen was in Arnhem achtergebleven, omdat hij daags voor de wedstrijd voor de zoveelste keer door de knie was gegaan.

‘Omdat Vitesse de laatste jaren veel buitenlanders haalt en jongens tegenwoordig na een seizoen weggaan, krijgt oud-Vitesse al jaren geen nieuwe aanwas. Dit team wordt met uitsterven bedreigd,’ luidde een ‘Legend’ van wie ik de naam niet kende de noodklok. Om de selectie compleet te krijgen, worden ook jongens die nooit in het eerste, maar wel in de jeugd hebben gespeeld, toegelaten.

Apeldoornse Boys – Vitesse was een thuiswedstrijd voor Edward Sturing. Edward, een in Apeldoorn geboren Eerbeker, begon ooit als jongetje bij de Apeldoornse Boys en speelt, ook nu hij halverwege de vijftig is, nog bij de veteranen van de amateurclub waarvan hij altijd trouw lid is gebleven. Edward noemt zichzelf gek van het spelletje. Hij kan het nog niet laten, een balletje trappen.

In Apeldoorn kwam Edward handen en schouders tekort om alle felicitaties en bedankjes in ontvangst te nemen, nadat hij Vitesse via een onmogelijk geachte eindspurt naar Europees voetbal had geleid. Waar de club hoopte dat hij in een ‘verloren seizoen’ zorgde voor een zachte landing, kreeg Edward de afgeslagen motor wonderwel weer aan de praat en liet hij Vitesse acht wedstrijden lang vliegen.

In het harde Arnhem is er wel eens lacherig gedaan over Edward. Om zijn Bart de Graaf-achtige postuur en die rare stekels die met een speciale waterpaskam bijgepunt schenen te worden. Het beruchte boek van Marcel van Roosmalen, het naar satire neigende ‘Je hebt het niet van mij’, tastte zijn autoriteit als coach aan. Later, toen Theo Bos overleed en zijn eigen tribune kreeg, werd het feit dat Edward en Theo geen vrienden waren overbelicht.

Edward kreeg ondertussen zijn eigen tribune in GelreDome (recht tegenover die van Theo), maar bleef jarenlang in de luwte. Tot hij afgelopen april de ontslagen Henk Fraser moest opvolgen en Edward weer vol in de schijnwerpers moest. Het contrast met Henk, die op de bank zat alsof hij thuis een saaie film keek, was groot. Misschien dacht Henk dat hij met die onverschillige houding rust uitstraalde, maar in Arnhem werd het, zodra de resultaten minder werden, geïnterpreteerd alsof Henk het trainerschap beschouwde zoals supporters hun kantoorbaan: als werk. Er zijn Vitesse-supporters die Sparta-fans hebben gecondoleerd met hun nieuwe trainer.

Edward deed het anders, die coachte niet alleen, maar moedigde zijn spelers aan. Hij stond en schreeuwde, negentig minuten lang. De Diego Simeone van Arnhem, zo werd  ‘Edje-interim’ al vlug genoemd. Met zes zeges in acht wedstrijden ligt er een enorme druk op Leonid Sloetski, die – als hij naast zich kijkt – straks niet alleen een cultuurbewaker en assistent ziet, maar ook zijn potentiële opvolger.

Passie is een woord dat is uitgevonden voor Edward Sturing. Op vijfenvijftigjarige leeftijd was Edward, op inzicht, techniek en wilskracht, de uitblinker in de eerste helft van Apeldoornse Boys – Oud-Vitesse (uitslag 1-1). Met ragfijne passjes stuurde hij de met paardenlongen gezegende Arco Jochemsen en de nog altijd rappe zaakwaarnemer Louis Laros, net terug uit Mexico, de diepte in. In de rust moest Edward, bang dat hij zijn kuitspier zou afscheuren, eruit. Oud-Vitesse-coach en ras-Ernummer Toon Hartenmink: ‘Dat maakt nu niks uit Edward, een kuitje afscheuren. Je hebt toch vakantie. Hoef je ook niet in de tuin te werken.’

Zijn blik is continu messcherp, hij mompelt nooit, articuleert energiek, precies en energiek. Het lijkt mij heel vermoeiend, Edward Sturing-zijn. Om nooit eens een moment te verslappen of op te geven. Als Vitesse-fan ben ik blij en dankbaar dat Edward Sturing Edward Sturing is. Niet voor het eerst en vast ook niet voor het laatst redde hij als interim-coach zijn club. Na het Korbach-effect mag er gerust gesproken worden van een exclusief voor Vitesse gereserveerd Sturing-effect. Het standbeeld dat ooit komt, zal of van titanium zijn (net als zijn kunstheup) of van staal (net als Edwards wil).