Op mijn veertiende was ik de jongste in de B1. Ze noemden me ‘De Visser’. Niet omdat ik de prutsende doelman was, maar ik raakte de wedstrijdbal tijdens thuiswedstrijden veelal alleen aan wanneer ik ‘m braaf uit de sloot naast het hoofdveld viste. Deed ik zonder morren, want ik viste toch maar mooi in trainingspak van de club en wat was ik trots wanneer de speaker – weliswaar onder het kopje reserves – mijn naam omriep. Ik was de ideale veertiende man: als de trainer geen peuken meer had, kreeg ik de opdracht om tijdens de wedstrijd bij het dichtstbijgelegen tankstation ‘hakken-billend’ een pakje Marlboro Light te scoren.

De bal was het enige waarnaar ik en mijn teamgenoten verlangden. Voetballen, winnen en scoren stonden aan de top van onze Maslow-piramide, hoewel het net nieuwe schaamhaar boven onze ballen verraadde dat er iets stond te gebeuren, als een broeierige donderwolk die niet heel ver in de verte hing.

In de eerste seizoenshelft koersten we met het team af op het kampioenschap, tot onze Maslow-piramide halverwege het seizoen omver werd gespoeld. Bier legde een bom onder onze motivatie. Een of ander Oud & Nieuw-feest waar ik niet bij was, zorgde voor een omwenteling. De sfeer verslechterde – na wat je de ‘alcoholbesmetting’ kunt noemen – niet, maar veranderde wel.

In het nieuwe jaar gingen gesprekken niet meer over Ajax – Feyenoord, maar over wie er zaterdag na een fles rode wodka de stad in gingen. De honger naar de bal transformeerde in dorst naar bier en meiden. Ik voelde dat ‘een film gekeken met mijn ouders’ niet langer gold als een goed antwoord op de vraag wat ik zaterdagavond had gedaan. Het gekuch dat ook na een griepgolf in de kleedkamer aanhield, verraadde dat er een paar waren begonnen met roken. Sommigen meldden met enige trots dat hun conditie met sprongen achteruit holde en dat ze het geen tachtig minuten meer volhielden (zodat de trainer na een uur zijn eerste ‘rokerswissel’ moest doorvoeren). Aan het einde van het seizoen stonken de oudste jongens op zaterdagmiddag in de kleedkamer naar mijn vader de ochtend na een bruiloft of kermis.

Behalve ik verheugde geen speler zich na de winterstop meer op het kampioenschap (dat ook niet kwam, we kelderden naar de vierde plaats), wel op het seizoensafsluitende weekendje weg. Ik vreesde het voetbalweekendje, want ik was nog bang voor bier. Bang dat bier het monster dat ergens in mij school en  ‘echte vent’ heette zou baren en ik net zo werd als die anderen: op scooters rijdende idioten met donssnorretjes, die zomers niet meer voetbalden in het park, maar hangend in het klimrek sigaretten paften, klagend over vermoeidheid.

Het voetbalweekendje maakte een abrupt einde aan mijn bierangst. Onder lichte sociale druk raakte ik voor het eerst bezopen, rookte mijn eerste sigaret, zeek in de gootsteen van de keuken van ons huisje en zag mijn derde, vierde, vijfde, zesde…. zevenendertigste naakte vrouw (na mijn moeder en een vrouw in een biologieboek, ditmaal vrouwen op ‘Anaal Plus’) en werd in de discotheek voor het eerst afgewezen door een meisje, maar dat ik er eentje had aangesproken was al een doorbraak.

Hoewel ik in mijn tweede seizoen in de B1 basisspeler werd, was ook het zwaartepunt van mijn interesse definitief naar de derde helft en de zaterdagavond verschoven, met het voetbalweekendje als hoogtepunt. Het voetbalweekendje: met een treintje vol aanbiedingsbier geladen auto’s rijden naar een Center Parcs-achtige bestemming. Daar was het zaak niet te vroeg te gaan pitten, want dan duwden ze je hand in een glas water en zeek je in je slaap de onderbroek vol.

Tijdens de eerste avond bleven we meestal in het huisje. Kaarten en jezelf lam zuipen en daarna met zijn allen gezellig Anaal Plus kijken en dan zeggen dat we keken om het verhaal en dan heel hard lachen, maar ondertussen stiekem goed opletten hoe dat in zijn werk ging, neuken. Op zaterdag stappen in een discotheek, behalve Robbie & Bobbie, een illuster duo dat liever met een pot augurken porno becommentarieerde en de slappe lach kregen van de enorme heiende vleespalen. Wanneer we terugkeerden van het stappen, zaten Robbie en Bobbie er nog steeds, met als enige verandering dat zowel de pot augurken als de koelkast nagenoeg leeg was.

In de A-jeugd zakte onze getalenteerde spelersgroep sportief verder en verder weg, maar naast het veld hadden we meer lol dan ooit en voor ons gevoel steeg ons leven tot grote hoogte. Een kritisch bestuurslid dat deed aan ranglijstdenken stelde dat de jeugd in de greep was van de Ziekte van Heineken, zelf spraken we van de Zegen van Heineken.