Ooit was ik een fantastische keeper. Zomers. In de Rijkerswoerdse plas, een uitgegraven recreatiemeertje in Arnhem-Zuid, zweefde ik als Edwin van der Sar richting op me afgegooide ballen. Naar hoeken duikend dacht ik in het water: stel dat er een scout van Vitesse op het strand ligt en hij ziet mij keepen, dan komt ‘ie zo op me af en moet ik opbiechten dat ik alleen richting kruising durf te duiken in het water, niet op ’t veld. De enige die op me af kwamen waren trouwens mannen of vrouwen, sommigen met een rood oor, woest, nadat ze de bal keihard in hun gezicht kregen (of erger: hun kinderen).

Als kind was de zomer fantastisch. Ik woonde nabij een recreatieplas, maar ook aan de voet van een park. ’s Middags zwemmen, ’s avonds voetballen. Met twee jongetjes uit de buurt voetbalde ik dagelijks in het park, dat in de herfst een modderpoel was en daarom door mijn moeder uitgeroepen tot verboden voetbalgebied (“Je komt dan als een zwijn terug”).

We weken bij nat weer uit naar een parkeerplaats, waar we auto’s indeukten en onze leren ballen lek geprikt werden door boze buren. Mijn pa stimuleerde ons om te blijven voetballen op die parkeerplaats, want het was zijn droom dat ik voetbalprof werd. Boze buren die ballen lek prikten: als iedereen zo was “dan had je over tien jaar geen Oranje meer op een WK of EK en kon je een nieuwe Cruijff vergeten!”.

Terug naar die zomers. Omdat we met weinig waren moesten we op het veld in het park creatief zijn. Gebruikten we een houten goal als net en speelden we voetvolley. Afgekeken van Veronica, dat een voetvolleyprogramma uitzond met Harry Vermeegen. In Arnhem waren we trots toen Roy Makaay van Vitesse meedeed, want de meeste spelers kwamen van de topclubs. Ik voetvolleyde ook wel eens op het strand, maar op blote voeten deed de bal auw. Jammer voor de broers De Boer trouwens dat voetvolley geen Olympische sport is geworden. Zou prachtige beelden van op elkaar foeterende tweelingbroers hebben opgeleverd.

Een zomer was helemaal geweldig. Bij de sportwinkel waren de Derbystar-ballen in de aanbieding. Derbystar, dat was als…. tja. Wat de Van Dobben-kroketten waren in de frituurgerei, was Derbystar voor voetballen. Pa gaf ‘m cadeau onder één voorwaarde: vanwege de slijtage niet op straat mee voetballen, alleen op het gras in het park. Beloofd.

Gelukkig was ik echter nog niet: ik verloor te veel voetbalspelletjes in het park. Voetbal is als de Formule 1: je bent afhankelijk van je materiaal. Mijn lichaam was bepaald geen Ferrari. Voor afvalrace miste ik snelheid in de benen en voor voetvolley snelheid in de voeten. Dus vond ik een spel uit dat ik kon winnen. Zoals Mark Zuckerberg, een bleke computernerd die voorbestemd was om heel lang maagd te blijven, Facebook uitvond om aan vrouwen te komen, verzon ik voetbalgolf om voetbalspelletjes te winnen. Ik was traag, maar had een goede, Pierre van Hooijdonk-achtige trap.

Voetbalgolf was simpel. Je koos een begin- en eindpunt. Dat eindpunt was meestal een boom. En dan moest je de bal in zo min mogelijk aantal trappen tegen die boom krijgen. Een spel waarbij je relaxed aan je traptechniek werkte en ook nog over meisjes kon ouwehoeren. Letterlijk op mijn lijf geschreven dus. Ik vond voetbalgolf geweldig, vooral omdat ik eindelijk potjes won.

We maakten onze holes steeds groter en langer. Net als met echt golf staken we een brede sloot aan het uiteinde van het park over, een sloot die we de rivier noemden (zoals we vier bomen een bos noemden en het schaamhaar van een vroeg puberende jongen uit onze klas een tropisch regenwoud). Nou ja, die Derbystar moest over de sloot worden geschoten. Ging dagenlang goed, tot ik de Derbystar in de ‘rivier’ trapte. Precies in het midden van het water, muurvast in wier. Steentjes gooien hielp de bal niet verplaatsen. Ook niet op in de buurt van de bal zwemmende eenden. Bezems bleken veel te kort.

Mijn pa was woest. “Hoe krijg je ’t voor elkaar? Voetbalgolf? Wat een onzin! Van stilstaande ballen trappen word je niet beter!” Ik vroeg pa hoe ik die bal uit het water kreeg. “Wat denk jezelf: zwemmeh! Het is een Derbystar, verdomme!” Bevel is bevel. Dus deed ik thuis een zwembroek aan en zwom de sloot in. Voorbijgangers stopten. Als mobieltjes met camera al waren uitgevonden, hadden ze me gefilmd. Het leek een reddingsactie. Dat was het ook. Twaalfjarige jongetje redt zijn beste vriend: een 0-jarige Derbystar.

Daarna bleven we weg bij de sloot, maar speelden nog een paar zomers voetbalgolf, tot we een leeftijd bereikten dat spelen in het park te kinderachtig werd. In 2009, ruim tien jaar later, las ik dat de Nederlanders Bas Korsten en Michael Jansen voetbalgolf hadden ‘uitgevonden’ (en het footgolf noemden). Wat ik dacht? Die Bas en Michael zijn vast twee trage gasten met een mooie trap die eindelijk eens iets willen winnen.

Beeld: Pro Shots/Stanley Gontha