Als kind – we schrijven de jaren negentig – hoopte ik in de Voetbal International het grote geheim te vinden, het geheim dat je moest kennen om profvoetballer te worden. Uit de rubriek ‘Persoonlijk’ maakte ik op dat ik, net als iedere prof, De Heineken Ontvoering moest lezen. Vermoedelijk was Freddy Heineken ooit ontvoerd omdat zijn bier puur vergif was. Dat beweerde althans mijn pa, wanneer hij tegen mijn woedende moeder ontkende dat hij te veel had gezopen op die verjaardag gisteren, nadat hij zondagochtend op het toilet had gebraakt als een brullende leeuw. “Ik heb niet te veel gezopen! Het lag aan het bier: Heineken! Puur gif!”

Van spelersinterviews leerde ik dat je – wilde je prof worden – tijdens gezelschapspelletjes het bord moest omgooien zodra je aan de verliezende hand was. Bijna iedere voetballer begon er over. “Vroeger, als we Mens Erger Je Niet speelden met het gezin en ik dreigde te verliezen, kieperde ik het bord om. En zo is het nog. Ik speelde vorige week Mens Erger Je Niet met mijn zevenjarige neefje. Ik won de eerste drie potjes. Mijn neefje stond tijdens het vierde potje op winnen. Ik kon het gewoon niet over mijn hart verkrijgen om mijn neefje, die overigens nog maar drie maanden te leven heeft, te laten winnen, dus ik gooide het bord om… Kinderachtig zul je zeggen, maar ik haat verliezen.”


Ik herkende me meer in het ‘wie niet tegen je verlies kan, die is maar zielig hoor’ van Henny Huisman (en in Henny Huisman zelf), dan in zo’n Mens Erger Je Niet VI-passage die mijn vader speciaal voor mij gemarkeerd had. “Ik mis het bij jou, jongen: De Wil Om Te Winnen. Ten koste van alles als winnaar uit een spelletje, wedstrijd of duel willen komen. Jij bent te lief”, constateerde pa, die de wil om te winnen persoonlijk demonstreerde tijdens grote partijen in het park bij ons in de buurt. Hij deed als veertiger mee met mij en andere buurtjongens en raakte dan met zijn zwetende otterkop vaker kinderschenen dan de bal. Ik schaamde me dood voor deze kindermishandeling, maar pa zelf vond dat hij het goede voorbeeld gaf. Bovendien leerden de kinderen via hun blauwe schenen “dat hun handelingssnelheid omhoog moest”.

“In mijn jeugd voetbalde ik met Peter. Die kon voetballen, Peter, geweldig. Tijdens een potje straatvoetbal passeerde hij me keer op keer. Totdat ik hem het prikkeldraad in peerde. Zijn been lag helemaal open, het leek wel een frikandel speciaal.” Pa vertelde ook dit zonder schaamrood, maar met trots: alsof het een verzetsdaad betrof. Daarna voegde hij er dreigend aan toe: “Meisjes willen geen jongens die te lief zijn…”

De wil om te winnen… Als ik in het veld stond, wist ik soms amper hoeveel het stond. Het kwam voor dat ik in de slotfase balletjes breed speelde en alle tijd nam om een bal in te gooien. Teamgenoten werden helemaal gek. Bleek dat we niet voor stonden, zoals ik dacht, maar gelijk. Nou ja, ik was niet zo bezig met wat Co Adriaanse ‘scorebordvoetbal’ zou noemen: ik wilde gewoon lekker ballen. Mijn broertje had wel de wil om te winnen: tijdens onze 1 tegen 1 potjes beet hij me regelmatig in mijn arm of been, iets dat mijn vader ondanks druk van mijn moeder categorisch weigerde af te keuren. In plaats daarvan constateerde pa met een treurig gezicht dat je met de mentaliteit van mijn broertje en mijn techniek tezamen “wel een goede voetballer had”, maar dat we afzonderlijk “te kort” kwamen.

Toen dat wetenschapsbericht – een op de tien kerels is homo – de wereld in werd gekegeld, wist iedereen: in deze kleedkamer moet er een zitten. Een geboren homo. Ik vroeg me juist af met hoeveel geboren winnaars ik de kleedkamer deelde. In selectie-elftallen moest je na een nederlaag altijd doen alsof de kleedkamer een crematorium was. Het was dan ongezellig en muisstil. Als je wat zei, dan moest het een bijnaam voor een geslacht zijn of een ziekte. Ik speelde het spelletje Mens Erger Je Wel maar mee en zette na een nederlaag een rouwkop op. Maar ik vraag me, jaren na dato, nog steeds af wie echt baalde van een nederlaag en wie deed alsof.

Het totale gebrek aan relativering had een afstotende werking op me. Nederlagen die de sfeer verziekten en scheldende trainers die half depressief werden als we voor de tweede maal op rij verloren.. Het is maar een spelletje, wie niet tegen zijn verlies kan die is maar zielig hoor, dacht ik dan, maar ik durfde het niet uit te spreken uit angst verketterd te worden. Vanwege de verblindende (en verbindende) focus op het resultaat, ervoer ik voetbal – zowel tactisch als qua kleedkamergedrag – steeds meer als ‘onvrijheid’. En ik wist: bij de profs zou het allemaal nog veel erger en zwaarmoediger zijn, met die verstikkende dictatuur van discipline. Dan zou ik een kleedkamer delen met jongens die zeker weten stuk voor stuk niet tegen hun verlies kunnen. Met een selectie psychopaten dus. Ik besloot dat ik De Heineken Ontvoering nooit zou gaan lezen.