Misschien is dit niet de juiste plek om over dit onderwerp te beginnen. Staantribune, de naam zegt het al. Staantribune-lezers gaan in het voetbalstadion alleen zitten als de voor de wedstrijd toch nog een keer opgewarmde babi pangang ze richting het toilet dwingt. Romantici. Romantici verlangen terug naar vroeger en beschouwen vooruitgang als achteruitgang. Romantici heb je hier in Arnhem ook. Ze gruwelen van GelreDome. Altijd hebben ze het over die legendarische sfeer in ons oude stadion, Monnikenhuize, gelegen in het hert van Arnhem: de Geitenkamp. Ja, het was daar koud, maar de sfeer, die was werm

“Sinds GelreDome is er iets verloren gegaan: Vitesse is Vites niet meer”, beweren Ernumse romantici van een zekere leeftijd. Soms denk ik: jullie verheerlijken het verleden om de zaken om te draaien. Verhalen over vroeger moeten jongeren jaloers laten verlangen naar een tijd die ze nooit meer mee kunnen maken. Jaloers op de oudere, net op tijd geboren generatie. Terwijl ouderen natuurlijk jaloers zijn op jongeren, die erecties en de toekomst hebben.


Ik heb Monnikenhuize – weliswaar als kind – meegemaakt. Ik vond de eerste seizoenen in GelreDome toch de mooiste uit mijn Vitesse-leven. Het was in GelreDome niet alleen letterlijk warmer, maar ook figuurlijk: de onoverwinnelijkheid van het begin deed de sfeer goed. Van Monnikenhuize herinner ik me vooral de paraplu’s als het regende, waardoor niemand wat zag en de pijn in mijn tenen en handen als het vroor, pijn en nattigheid waarvan GelreDome ons verloste.

Toch was er vanaf de eerste dag gezeik op GelreDome, vooral op het dak dat open en dicht kon. Dat was in Nederland natuurlijk begonnen in Amsterdam, maar twee jaar later kreeg ook Arnhem een ‘cabriostadion’. Karel Aalbers trok middels het legendarische luciferdoosje lering uit de dramatische grasmatten in de ArenA, die toen werden behandeld als radeloze depressieve patiënten: met lichttherapie. De uitvinding van het uitschuifbare veld heeft Vitesse later gered, want na de val van Karel was Vitesse failliet gegaan als het om de drie maanden nieuw gras had moeten laten aanrukken. 

Het voetballen met dak dicht bracht een kunstgrasachtige discussie op gang, waarbij – net als nu – het woord competitievervalsing viel. Foppe de Haan vond GelreDome een gigantisch rookhok (er gold nog geen rookverbod) dat niet aan de Arbowet voldeed. Omdat Vitesse bleef winnen bleef het dak, uit bijgeloof, gesloten. Karel – die in de kritiek jaloezie bespeurde waarnaar hij niet luisterde – gaf juist gas bij. De radiatoren gloeiden en zo werden de loom gestookte tegenstanders als makke lammetjes opgepeuzeld.

De laatste jaren is Vitesse zich steeds meer gaan aantrekken van stadionkritieken van dakloze clubs. Mijn pa werd witheet op algemeen directeur Joost de Wit toen die de stadioncapaciteit terugbracht, een knieval voor de over lege stoeltjes zeurende publieke opinie. De clubleiding schaamt zich welhaast voor GelreDome, alsof het een geërfde Ferrari is die misstaat op een parkeerplaats bij arbeiderswoningen. Maar nu het dak ook steeds vaker open blijft, ook in de herfst en winter, is mijn pa er helemaal klaar mee. Hij wil niet onnodig kou lijden. “Ik word figuurlijk al ziek van Vitesse, nu word ik er ook letterlijk ziek van!”

Ik geef pa gelijk. Nooit hoor ik iemand bij kou of regen zeggen, ook de romantici niet: “Heerlijk, die regen in mijn bek! Dit is waarvoor je het doet, als supporter!” Of: “Ik voel mijn tenen niet meer, net als vroeger. Fantastisch!” Nee, het is idioot om te luisteren naar jaloezie en het dak bij kloteweer open te houden. Ik weet zeker dat als andere clubs ook een cabriostadion zouden hebben, hun supporters in de winter ook voor een dicht dak zouden kiezen. Moet je natuurlijk wel een beetje een volumineus stadion hebben. Want een dak op Woudenstein, dat gaat niet.