Het klonk als een bangige bekentenis, vrezend voor mijn reactie. Een jeugdvriend met wie ik destijds veel op straat voetbalde, biechtte op waarom hij op vrijdagavond nooit kon afspreken. “Ik, ehm, ehm, hockey dan. Ja, ik zit op hockey.”

Ik vond hem geen hockeytype, al woonde hij met zijn goed boerende ouders wel vrijstaand. En in discussies beriep hij zich op artikelen in de Volkskrant, terwijl ik alleen de Voetbal International las. Hockey. Daar werd die vriend wel mee geplaagd. Zeker toen hij vertelde dat hockeyers thuis pas onder de douche stapten. Ik begreep ineens waarom die hockeykantines – en auto’s van hockeyers – meurden naar een mix van bezwete balzakken en te dure parfum. Ik dacht ook: dan weten hockeyers dus niet of ze een kleine of grote stick hebben. En ze ontberen het lef om het te willen weten en dus vermijden ze een vorm van balcontact.

Eenmaal over de schaamte heen, vertelde de vriend hoe hockeyers over voetballers praatten. Net zo slecht als andersom. Bij ruw spel schreeuwden hockeyers: “Hé, het is hier geen voetbal!” ‘Voetbal’ en ‘voetballer’ waren scheldwoorden, bedoeld om een corrigerende spiegel voor te houden. Voetballer als synoniem voor dat andere hockeyscheldwoord: proleet. Proleten die, hoe meer ballen ze kopten, nog proletarischer werden, dusdanig dat het in voetbal onmogelijk was om met de tegenstander een biertje te drinken na afloop. Barbaren.

Een biertje met de tegenstander drinken in een zure zweetkantine werd in het hockey beschouwd als de kroon op de beschaving. Later, toen ik tenniste en competitie speelde, stuitte ik op de overtreffende en overbeschaafde trap van het biertje met de tegenstander: verplicht taart eten met de tegenstander. Voor de wedstrijd. Als ik dan vertelde dat ik net gestopt was met voetbal, verslikte de tegenstander zich bijna in zijn slagroomgebak van de bakker. Je zag de teleurstelling in de tennisogen. Een voetballer… Die heeft vast in onze taart geroggeld.

Voetbal overschaduwt qua aandacht, populariteit en geld de sporten die mijn vader consequent B-sporten noemt, namelijk: alle niet-voetbal sporten. Er bestaat een tweedeling in sportend Nederland: voetballers en niet-voetballers. De niet-voetballers voelen zich een achtergestelde minderheid, maar doen vooral alsof ze niet jaloers zijn en heel blij zijn dat ze niet voetballen. Nee, ze zijn juist trots op dat vredige niet-voetbal en maken voortdurend de vergelijking met voetbal.

Als regiosportverslaggever voor de krant leer ik hoe niet-voetballers naar voetbal kijken: ongeveer zoals de provincie naar de Randstad. Hoofdschuddend. “Het voetbal lult over respect, rugby doet eraan. Er is nooit trammelant. Nooit”, zei een rugbyer met bloedlip en een ‘ei’ op zijn kop. “Na afloop doen we een pilsje met de tegenstander. Zie je bij voetbal niet, hè? Prachtig toch? Ik beschouw tegenstanders als mijn broeders!” Om er aan toe te voegen “dat het voetbal een hoop van rugby kan leren.”

Inderdaad: rugby is hard en ruig, zonder gemeen of vals te worden. Niemand maakt schwalbes, niemand klaagt, niemand praat tegen de scheids, want de ref is heilig bij rugby! Blesseer je per ongeluk je tegenstander, dan draag je hem persoonlijk naar de kant. Rugby is hard, fair, eerlijk en lief.

Anders dan het amateurvoetbal, waar de clubgrensrechter iedere achter de verdediging vallende bal blind afvlagt. Zo’n beetje ieder weekend ontaard ergens in Nederland de onsportieve sinistere sfeer in fysieke agressie. Sommige voetbalclubs zijn vulkanen waar de vraag niet is of, maar wanneer het tot een uitbarsting komt. Het duurt niet lang voordat scheidsrechters worden uitgerust met een busje pepperspray en dorpsburgemeesters de eerste amateurwedstrijden verbieden.

De top van ons voetbal probeert momenteel wanhopig van andere sporten te leren, om te redden wat er te redden valt. Misschien moeten we als voetbal ook op moreel gebied spieken bij de niet-voetballers. Maar zeker niet te veel. Want voor je het weet eten we voor de wedstrijd biologische cheesecake met de tegenstander in een naar bezwete ballen ruikende kantine.