Vitesse-trainer Leonid Sloetski heeft het hoofd van een ongeschminkte clown. Dat de eerste Arnhemse reacties op die ‘clownskop’ positief zijn, komt door het hoofd van zijn voorganger, Henk Fraser.

Henk keek altijd quasi-kritisch. Geen clown dus, Henk. Meer een persiflage. Henk acteerde een diepzinnig peinzende trainer. Acteerde, want zijn teksten en wissels getuigden nooit van tactische diepzinnigheid. Het vertrek van Henk – die met Vitesse de eerste prijs in de clubgeschiedenis won – werd met gejuich ontvangen, iets dat veel zegt over Arnhem, maar vermoedelijk ook over de trainerskwaliteiten van Henk.

Excuus voor de brug die een bruggetje had moeten zijn. Een kleine twintig jaar eerder haalde Vitesse, net na Euro 2000, ook een clown binnen: Bob Peeters. Peeters was een kaalgeschoren Belg van 1,96 meter die voor vijftien miljoen gulden van Roda JC werd overgenomen. Peeters volgde Pierre van Hooijdonk op. Van Hooijdonk was de opvolger van Nikos Machlas, die Roy Makaay verving.

Makaay-Machlas-Van Hooijdonk-Peeters. We voorvoelden dat de laatste naam niet in dat rijtje paste. Wenkbrauwen fronsten, maar niemand durfde te roepen dat Peeters een belachelijke aankoop was, want de Belg was immers gehaald door Ronald Koeman.

Koeman was groter dan Vitesse, wereldtop, FC Barcelona, bevriend met alweter Johan Cruijff. Koeman noemde je een kenner, iemand die ziet wat jij als simpele supporter niet ziet. Ik en vele andere Arnhemmers durfden niet hardop te bekennen dat we het niet zagen, dus zwegen we en praatten we Koeman na (“Peeters laat anderen beter spelen”).

“Peeters, dat is Pierre van Hooijdonk, alleen dan zonder die traptechniek”, deed ik een mislukte poging tot optimisme, die mijn pa pareerde met: “Ja, dan is je moeder ook een Pamela Anderson, alleen dan zonder volle lippen en goddelijk lichaam.”

Het was een raar gezicht, Bob Peeters aan de aftrap bij zijn debuut. De lange benen die nog langer leken omdat Bob de korte broek tot de navel optrok. Die enorme zwarte pantoffels om zijn voeten. Die kromme rug en ingetrokken nek. Bob Peeters zag eruit als een bouwvakker die niks met voetbal had. Een matige amateurveldrijder. Een kruising tussen Steve Urkel, Gargamel, een giraffe en een schildpad. Kortom, als een houten klaas die als laatst gekozen zou worden na het poten.

Peeters had het aardig gedaan bij het Limburgse Roda JC. Op het illusieloze sportpark Kaalheide konden de voormalige mijnwerkers een stoempende spits wel waarderen. Bovendien paste Peeters met zijn lengte prima in het basketbalteam van trainer Sef Vergoossen, dat op z’n Brits speelde door het luchtruim doelbewust te domineren met reuzen als Zeljko Kalac (2,02 meter), Regillio Vrede (1,98 meter) en Marc Nygaard (1,96 meter). Roda speelde geen voet- maar kopbal.

Die lengte van Peeters was voor mij persoonlijk belangrijk. Ik was een te snel groeiende puber, toen exact even lang als Peeters. Het vooroordeel over lange voetballers luidde: die kunnen koppen, niet voetballen. Zlatan was nog onbekend, baltovenaar Nwankwo Kanu (1,97 meter) heette de uitzondering die de regel bevestigde. Professor Co Adriaanse beweerde dat door de grote afstand tussen schedel en voeten, lange spelers een cruciale fractie langzamer reageerden dan korte voetballers.

Ik wilde dolgraag goed voetballen, maar op straat en in het veld kreeg ik te horen dat het voor mij anatomisch onmogelijk was. Lange stelten waren een handicap. Het advies: ga volley- of basketballen. Als een voetballende homo die hoopte op een uit de kast komende soortgenoot in ‘t profvoetbal, een rolmodel dus, verlangde ik vurig naar een lange speler die het levende bewijs leverde dat je met lange latten toch technisch kon zijn. Mijn hoop had ik zeker niet op de vaak als ‘boomlange Belg’ aangeduide Peeters gevestigd. Ik was al tevreden wanneer hij het vooroordeel over lange voetballers maar niet al te zeer zou bevestigen.

Peeters’ debuut, thuis tegen Twente, viel mee: een paar ballen stuiterden via zijn borst voor de voeten van opkomende medespelers en ‘Bobke’ scoorde met de kop, waarna we voor het eerst zijn doelpuntliedje hoorde. “Een bossie, een bossie, een bossie rooie roozen. Een bossie, een bossie, hé hé hé!”

Het nummer Een bossie rooie roozen’ werd daarna sporadisch in GelreDome gehoord, want er werd weinig door Peeters gescoord. In de winterstop van Peeters’ eerste seizoen dreigde Vitesse failliet te gaan. Bob liep daarna nog krommer, al die te veel betaalde miljoenen wogen nog zwaarder. Het prijskaartje zat als een strop om zijn- en Vitesse’s nek. Vitesse, en vooral Koeman, had de ‘onthoofdprijs’ voor hem betaald.

Bobke’s onkunde was clownesk, hij leek twee linkerbenen te hebben terwijl hij stijf rechts was. Hugo Camps schreef in een column dat Peeters de startsnelheid van een tractor had. Omdat Bobke hard werkte en een ‘aimabele Belg’ was, konden we in Arnhem niet meer doen dan heel hard lachen als boeren met kiespijn.

“Bob Peeters heeft de voorzitter verzocht zijn loon eindelijk eens gelijk te stellen aan zijn prestaties. De voorzitter antwoordde: Bob, dat kunnen we niet maken. Je kinderen moeten wel te vreten hebben”, luidde een flauw mopje.

In België ontdekten ze dat Peeters, die toch tot dertien interland kwam (vier goals), een grappige gast was, die het met droge humor goed deed op televisie. Op de Belgische buis scoorde Peeters dus wel. In Arnhem hadden we buiten de lijnen niks tegen Bob, verre van, hij was leuk en grappig. Onder andere omstandigheden was hij een cultheld geworden. Maar door die vijftien miljoen in combinatie met het bijna-faillissement werd zijn aanwezigheid pijnlijk ongemakkelijk. Zoals de man die een kind dood rijdt, daar niks aan kan doen, maar toch beter kan verhuizen, omdat de pijnlijke associaties domweg onuitwisbaar zijn.

Tijdens potjes straatvoetbal keken kinderen mij met het hoofd omhoog aan en noemden me Bob Peeters, een belediging. Ik was opgelucht toen Bob Peeters in 2003 uit het zicht verdween, naar Engeland. Veel goeds deed Bob niet voor de emancipatie van de lange man op voetbalveld. Ook niet voor de clubkas van Vitesse. Toch denk ik nu: die non-benige was een soort vogelverschrikker van een voetballer, maar een aimabel mens.