De man – mits zelfverklaard geslaagd – praat aan de mannentafel op verjaardagen, wat later op de avond, na veel bier en weinig aandringen, pronkerig over hoeveel ‘kaaah’ hij verdient. Vroeger, als tiener, ging het in jongensgesprekken niet om geld, maar om of je in de C1-B1-A1 voetbalde. Speelde je ondanks ambities niet in de A1, dan mompelde je iets als “Bij mijn club is het allemaal vriendjespolitiek”. Zo te horen waren er vast wachtlijsten bij de jeugdbesturen van veel amateurclubs. Zat je wel in de A1, dan was “In welke klasse?” de vervolgvraag die zo typisch is voor onze klassenmaatschappij. Het mooiste was als je kon antwoorden dat je niet in een klasse voetbalde, maar in een heuse ‘divisie’.

Ondanks dat mijn pa niet in het bestuur zat en ik een modale voetballer was, haalde ik de A1, het vlaggenschip van de jeugdopleiding van mijn toenmalige amateurclub. De hele jeugdopleiding had ik doorlopen. Aangeland in de A1 droomde ik echter niet van het eerste, maar van stoppen met voetbal en over hoe ik dat slechte nieuws aan mijn voetbalgekke pa moest meedelen. Ik had al wel een vermoeden betreffende pa’s reactie: “WAT!? En wat moet ik dan in het weekend? Bij je moeder zitten zeker? Zoon, dit kun je me niet aandoen. Vieze egoïst! Ehhm… jongen, hoeveel wil je hebben?”


Na jaren selectievoetbal was ik klaar met clubvoetbal en het hysterische gedoe alsof het leven om voetbal draaide. Soms speelden we hoog. In ‘divisies’. Landelijk. Dat voelde heerlijk om op school te vertellen. Maar ‘landelijk’ voetballen werd na een tijdje alsof je een hele knappe vriendin had waarmee je kon pronken, maar waarmee je het een-op-een niet leuk had, want ze was een koude, kille bitch.

Terugkijkend op mijn voetbaljeugd voel ik me misbruikt door jeugdtrainers. Nee, hier komt geen bekentenis. Maar veel jeugdtrainers gebruikten ons voetballertjes om hun eigen ego te voeden. Of beter: te helen. De jeugdtrainers op wie ik doel, waren meestal de trainers die er vroeger, toen ze zelf voetbalden, niets van konden. Je zag het zodra ze iets moesten voordoen. Het rechterbeentje bleek een linkerbeentje. Beentje, want mijn jeugdtrainers waren meestal kabouters die het vreselijk vonden dat ik als vijftienjarige al een kop groter was.

Dat soort jeugdtrainers misbruikten hun zogenaamde trainerscarrière om hun eigen jeugdtrauma te overwinnen. Als spelertje was je meer ‘materiaal’ dan mens. In plaats van prestatiedrang voelde je prestatiedwang. Honderd procent inzet was te weinig. De trainers die vroeger wel lekker hadden gevoetbald, vrij van complexen dus, waren relaxed en vereenzelvigden zich niet zo manisch met onze resultaten.

Het geschreeuw langs de zijlijn, meestal clichés trouwens (“WINNENNN, KOOOOOM OPPP!” en “GA NU EENS VOETBALLEN!”), kwam mijn neus uit. Ik kon er ook niet tegen. Ging er minder van voetballen. Profvoetbal zou niks voor mij geweest zijn, mentaal. Sommige profs krijgen last van Kuipvrees, ik werd al gekweld door Hoofdweilandvrees. Dat kwam door een zwak mentaal gestel, maar ook door de totale afwezigheid van relativering rondom selectie-elftallen.

Partijtje was veruit het leukst op een training, maar omdat je van partijtje niks leerde, kwam het er maar zelden van. Maar je wist waar je het voor deed: voetballen in het hoogste selectie-elftal. Dat betekende: spelen op het Hoofdweiland (met tribune, omroeper, opkomstmuziekje en scorebord), sponsorkleding, een elftalfoto voor de presentatiegids en naar verre uitwedstrijden ging je met de bus (meestal van die ‘debielenbusjes’). Het was net echt en ja, dat streelde je ego en natuurlijk het ego van de kaarsrecht oplopende selectieouders (‘’Dat is mijn zoon daar, ja”). Sommige jongens liepen ook op school in het trainingspak van de club, om te laten zien dat ze ‘buitenschools’ wel presteerde.

Maar in de A1 deed de poeha me niks meer. Ik ergerde me aan onze trainer, een mannetje met een sik, dat een hekel had aan onze mentaliteit. De meeste jongens van mijn elftal waren net als ik mentaal opgebrand, verpest, ongehoorzaam, opstandig. In de A droomde je ook niet meer hoeveel je zaterdagmiddag ging scoren, maar zaterdagavond. Het hoogtepunt van het weekend was al verschoven naar de nacht.

We noemden de sik Magneto, want uren voor een wedstrijd vermoeide hij ons met zijn geschuif met magneten. Had je eindelijk weekend, ging die gek voetbal doceren alsof het hogere wiskunde was. Ik knakte: voetbal was een plicht geworden. Soms zat ik op de bank. Want: ik was een aardige jongen. Geen klootzak. De trainer had klootzakken nodig. Dus daar zat ik dan, op de bank naar klootzakken te kijken. Gelukkig zat ik naast andere aardige jongens, waardoor het nog best gezellig was. Magneto was zo’n jeugdcoach die alleen wisselde als de ‘wedstrijd er om vroeg’. Als je opperde: “Ik betaal contributie om te spelen”, zei hij: “Dit is een prestatie-elftal.”

Een prestatie-elftal dat geen reet presteerde, want we raakten in degradatienood.  Het jeugdbestuur belegde een crisisberaad en voegde een soort mental coach – die mentaal niet helemaal spoorde – toe aan onze selectie. Men beoogde een Fritz Korbach-effect, alleen was onze Fritz er eentje die meer van vreten dan van drank hield. De humorloze personificatie van het woord ‘schreeuwlelijk’ (“BELEVING!” schreeuwde het Duracelvarken voortdurend). Ondanks de mental coach handhaafden we ons. Maar het vlaggenschip van onze jeugdopleiding werd mijn Titanic: ik stopte met voetballen.