Bedragen van rond de 100 miljoen euro voor een speler zijn al lang geen science fiction meer. Na de transfers van Gareth Bale en Pogba was niet de vraag óf, maar alleen nog maar wanneer er een nog hoger bedrag zou worden betaald voor een voetballer. Het geval PSG-Neymar heeft die vraag inmiddels beantwoord. De vraag blijft echter: hoe kan een speler ooit zo’n idioot prijskaartje waarmaken?

Midden jaren zeventig van de vorige eeuw was er al een speler die de titel Mister due miliardi oftewel ‘Mister twee miljard’ op zijn conto mocht bijschrijven. Toegegeven, het betroffen geen euro’s doch Italiaanse lires, maar de man in kwestie was met zijn transfer van Bologna naar Napoli wel degelijk – zij het slechts voor even – de duurste voetballer ter wereld. In 1975 was zijn waarde omgerekend acht miljoen in Nederlandse guldens (oftewel rond de vier miljoen euro). Het betrof een zekere Giuseppe Savoldi. Tussen voorganger Johan Cruijff en zijn opvolgers Paolo Rossi, Diego Maradona en onze eigen Ruud Gullit, is zijn naam op de lijst van recordtransfers vooral een vreemde eend in de bijt.


Beppe Savoldi was van beroep centrumspits. Mede door zijn achtergrond als basketballer was hij gezegend met een sprongkracht die hem in kopduels bijkans onverslaanbaar maakte.

Gedurende zeven seizoenen had hij voor Bologna 85 doelpunten in 201 wedstrijden gemaakt. In de Italiaanse Serie A van die tijd een hoog moyenne, reden waarom zowel Juventus als Napoli hem in de zomer van 1975 bovenaan de wensenlijst hadden geplaatst. Juve haakte af bij het horen van zijn exorbitante prijskaart, maar Napoli wilde de topscorer koste wat het het kost inlijven. Maatschappelijk gezien misschien een onverantwoorde uitgave, zeker met de economische crisis en recessie die Italië in de greep had, maar een kniesoor die daarop lette. In de voetbalgekke stad zou een dergelijke move op de spelersmarkt niet alleen het team enorm versterken, het zou ook symbolische waarde hebben als vuist tegen Juventus, dat een seizoen eerder landskampioen was geworden met slechts twee punten voorsprong op de Partenopei. En dus moest Beppe Gol het gat op de ranglijst dichten om de club voor het eerst in de historie de scudetto te schenken. Buiten Napels werd echter niet alleen door Jan met de pet schande gesproken van het betaalde bedrag, ook in de nationale politiek was de verontwaardiging groot. Er werd zowaar een parlementaire enquête gehouden om de rechtmatigheid van de mega-transactie te toetsen, maar het verweer van de club was waterdicht. Ja, er was een gigantische investering gedaan (1,5 miljard lire betaald en twee spelers aan Bologna afgestaan met een waarde van 500 miljoen lire), maar die was ook meteen weer terugverdiend. In een tijd dat commerciële shirtverkoop nog geen naam mocht hebben en de televisiegelden nog niet waren ontploft, had de club namelijk wel meteen 75.000 seizoenskaarten verkocht, waarmee een opbrengst van drie miljard lire was gegenereerd. Dit was niets minder dan een staaltje briljant koopmanschap: eerst investeren en dan meteen cashen. Wie – behalve communisten – kon daar iets tegenin brengen? In de pers was evenwel niet iedereen gecharmeerd van de mercato pazzesco, de doorgedraaide spelersmarkt. Savoldi probeerde de boel te sussen met een statement in de krant La Stampa: “Ik begrijp het drama van de armen heel goed, want ik ben zelf een van hen geweest.” En dat hij voornemens was om een Vietnamese baby te adopteren, zou naar eigen zeggen een ander bewijs zijn dat het Savoldi in het leven niet alleen om het geld ging.

Het eerste seizoen in het lichtblauwe shirt begon stormachtig voor de spits die in de eerste zeven wedstrijden zevenmaal het doel trof en Napoli daarmee op de eerste plek van de Serie A bracht. Maar na een blessure van de uomo miracolo viel het team ver terug. De winst van de Italiaanse beker mocht wel worden bijgeschreven, maar bij gebrek aan een gewonnen landstitel hij zou de verwachtingen van de Napoli-tifosi nooit helemaal waar kunnen maken, al noteerde hij in vier seizoenen lang een hoger gemiddelde dan bij Bologna. Zijn grootste persoonlijke succes was in 1978 een poker tegen Juventus (5-0) voor de beker: vier treffers (waaronder een glaszuivere hattrick) tegen Napoli’s meest gehate tegenstander. Hij bracht in datzelfde jaar bovendien een zelf ingezongen lp uit met de titel ‘La favola dei calciatori’ (Het sprookje van de voetballers) welke in Napels en omstreken een aardig commercieel succes werd. Zijn eigen loopbaan zou echter allerminst als een sprookje eindigen. Hij keerde een jaar later terug naar Bologna en werd in 1980 medeschuldig bevonden aan een grootschalig gokschandaal, de Totonero. De ex-international kon na zijn schorsing pas in het seizoen 1982-1983 zijn loopbaan beëindigen bij Atalanta, maar zijn naam zal altijd wel worden geassocieerd met de keerzijden van het grote geld.