De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete Serie A-speler. Vandaag: Italië-kenner Roberto Pennino, die voor de komende Staantribune een portret schreef over Gianluigi Buffon.

In een tijd dat je het als voetballiefhebber voornamelijk moest hebben van een paar flitsen uit buitenlandse competities, begon de eerste kennismaking niet zelden met een naam. Iets waarbij je, na het lezen of horen ervan, zo maar even kon wegdromen. Een van de meest aansprekende voorbeelden hiervan was voor mij Diego Armando Maradona. Namen die over je tong rollend naar meer smaakten. Het mooie van die tijd was dat tijdens een groot landentoernooi nog de kans bestond dat een speler zich vanuit het niets op het hoogste podium kon laten zien. Of, en dit was slechts voor zeer weinigen weggelegd, tot ieders verbazing zomaar ineens een heuse ster kon worden.

Dit gebeurde tijdens het WK van 1982 met AS Roma-speler Bruno Conti. Ik had zijn naam wel eens ergens gelezen, maar eigenlijk wist ik niets van hem. Het Italiaanse elftal bestond grotendeels uit de spelersgroep van een wereldkampioenschap eerder: Zoff, Scirea, Cabrini, Gentile, Tardelli, Antognoni en goaltjesdief Paolo Rossi. Bondscoach Enzo Bearzot koos nu eenmaal altijd voor dezelfde jongens die hij zijn vertrouwen bleef geven, of ze nu in vorm waren of niet. Als een van de weinigen had de kleine Conti zich er eind 1980 met zijn 1,69 meter tussen gewurmd.


Na een bloedeloze 0-0 tegen Polen in de openingswedstrijd, moesten de Azzurri iets laten zien tegen de tweede opponent: Peru. En in die wedstrijd gebeurde het. Op ongeveer 25 meter van het doel kreeg de zwierige nummer zestien van Italië de bal aangespeeld. Naar de bal toekomend, legde hij iedereen in de luren door deze achterwaarts met de hak naar zichzelf te passen, precies met de juiste snelheid, waarna hij zijn eigen pass dankbaar aannam en de bal verwoestend in de rechter bovenhoek knalde. De klasse droop ervan af. 

Toen diezelfde Conti tegen Kameroen op een belangrijk moment de mist in ging, sloeg bij mij even de twijfel toe. Hij plaatste, vrij voor keeper Thomas N’Kono, de bal op een kinderlijke manier met buitenkantje links naast het doel. Hij wilde het te mooi doen. Was het doelpunt tegen Peru, dat moment van pure magie, slechts een eenmalige uitschieter geweest?

In de tweede ronde was de beer los. Of de tegenstander nu Argentinië heette of Brazilië, met zijn snelheid en techniek liet Conti iedere tegenstander zijn hielen zien. Tweebenig en balvast had hij op volle snelheid het vermogen om even in te houden om vervolgens weer verder te flitsen. En dan beschikte hij bovendien steeds maar weer over dat wapen van het hakje achter het eigen standbeen langs. Hij gebruikte het uiterst effectief, zowel om tegenstanders af te schudden als om ruimte te creëren voor zijn medespelers.

Nadat de Italianen, tegen iedere voetballogica in, topfavoriet Brazilië uit het toernooi hadden geknikkerd, was Paolo Rossi met zijn drie doelpunten natuurlijk de Man of the Match. Maar in een team dat die middag louter uitblinkers kende, toonde Conti zich de enige ‘Braziliaan’ in het Azzurri-shirt. Op techniek hoefde hij duidelijk voor niemand onder te doen. Niet voor degene die vooraf als de grote ster van het toernooi was getipt (Maradona) en evenmin voor de als Witte Pelé bewierookte vedette Zico.

Conti spotte voor het oog van de hele wereld met alle conventies door tussen de grote vedetten van het wereldvoetbal steeds meer de aandacht voor zichzelf op te eisen. En terwijl Italië doorging met winnen en Rossi met scoren, bleef Conti verbazen met zijn briljante spel. Na afloop van de met 3-1 gewonnen WK-finale tegen West-Duitsland liep hij dolgelukkig rond in een West-Duits shirt. Het beeld deed pijn aan de ogen, maar herbergde ook prachtige symboliek. Hadden de West-Duitsers deze Conti in de gelederen gehad, dan waren ze misschien nog enigszins kansrijk geweest in Estadio Bernabéu. In belangrijke mate waren het immers de demarrages van Conti geweest die de Mannschaft in de tweede helft hadden gesloopt. De doelpunten waren van Rossi, Tardelli en Altobelli en de beker voor aanvoerder Zoff, maar het echte smulwerk was voor de fijnproevers afkomstig van een speler die voorafgaand aan het WK op geen enkel prominentenlijstje voorkwam.

Na het toernooi was het niemand minder dan Pelé (de echte) die Conti tot de beste speler van het toernooi bestempelde. Een volslagen terechte lofprijzing van de man die uit eigen ervaring wist waarover hij het had. In een periode van nog geen vier weken had Bruno Conti zich onsterfelijk gemaakt. Die zomer speelde hij op de toppen van zijn kunnen. En misschien is hij daarmee wel de laatste voetballer in de WK-geschiedenis geweest die zich vanuit het niets tot wereldster heeft gekroond.

Roberto Pennino