De hele maand maart staat bij Staantribune in het teken van Italiaans voetbal. Iedere dag schrijft een calcioliefhebber een ode aan zijn favoriete speler. Vandaag: journalist, schrijver en columnist Frank Heinen.

Van alle voetbaltypes is de excentrieke vedette vermoedelijk het type waar je het beste van een afstandje van kunt genieten. Spelers van dit type zijn meestal volstrekt onuitstaanbaar als je het tegen ze opneemt. En het meest onuitstaanbare van alles is dat ze, als het erop aankomt, alle sympathie naar zich toe zuigen.

De meeste verhalen over dit soort lokale idolen hebben opvallend veel vergelijkbare bouwstenen:

  • De speler in kwestie is altijd aanvaller of spelverdeler. In elk geval nooit linksback.
  • De speler in kwestie heeft altijd lang haar, dat door zijn volgelingen wordt beschouwd als een directe aanklacht tegen de burgermaatschappij – ook als de speler actief was in de jaren zeventig, een tijdperk waarin je haar lang dragen zo ongeveer het minst subversieve was wat je kon doen.
  • De speler rookt als een ketter – waarbij de hoeveelheid bij voorkeur wordt uitgedrukt in het aantal gerookte pakjes per dag en niet in het aantal sigaretten. Twee geldt hierbij als het absolute minimum.
  • Op latere leeftijd gaat de speler in kwestie er altijd uitzien als Adriaan (van Bassie).
  • De speler in kwestie is fan van Che Guevara.
  • Aan autoriteit – trainers, scheidsrechters, voorzitters, politie – heeft de speler in kwestie een broertje dood. Dit wordt vanzelfsprekend enorm gewaardeerd, zelfs door een deel van de autoriteiten, die mensen als de speler in kwestie nodig hebben om zich werkelijk te laten gelden. In zuidelijke landen wordt dit gedrag soms ‘anarchisme’ genoemd.
  • De speler in kwestie heeft nooit een (eerlijke) kans gekregen om zich op het hoogste niveau te bewijzen. Anders was hij vermoedelijk beter gebleken dan Maradona.
  • Fans van vroeger raken volkomen in vervoering als ze over de speler in kwestie spreken. Vaak is dit meer een gevolg van heimwee naar de eigen jeugd, waarvan de speler een soort (traag) bewegend decor was.
  • Vaak is er in het verleden iets gebeurd met wapens of drugs of beide, maar als dat wordt opgevoerd, is het als kleurrijk detail.

Neem Gianfranco Zigoni, ster van het Hellas Verona van de jaren zeventig. Nog altijd wordt er in lokale kranten en boeken van Veronese schrijvers over hem gesproken alsof hij het schitterendste is wat de stad ooit is overkomen. Alsof hij dan misschien niet een zoon van God was, die vanuit de hemel naar Noord-Italië was gezonden om de voetballiefhebbers daar net zozeer in verwarring als in vervoering te brengen, maar dan toch in elk geval een neefje.

Tik. Tik. Tik. Tik.

Wat is dat?

Da’s het geluid van Gianfranco Zigoni who ticks all the boxes.

Gianfranco Zigoni is de mythe van Verona. Een lokale George Best, met bijbehorende drankinname en diepe minachting voor scheidsrechters, die hij bij voorkeur zo origineel en diep mogelijk trachtte te beledigen. Hij bedreigde de voorzitter van Verona eens met een pistool en hij hield van jagen in zijn vrije tijd. Soms, als het jagen er een tijdje niet van gekomen was, oefende hij met zijn geweer op de straatverlichting van Verona.

(Het verhaal dat hij zijn jachtgeweer verkocht op de dag dat hij tijdens de jacht per ongeluk een merel schoot, die nog even in leven was en die hem in zijn laatste momenten zo doordringend aankeek dat Zigoni nooit meer een trekker zou durven overhalen, past prima in het beeld van de lokale held: een hoop stoerdoenerij, maar een hart ter grootte van een rozijn.)

Op foto’s uit zijn voetbaltijd oogt Gianfranco Zigoni opvallend alledaags. Een wat uitgerekt, spits gezicht, met een smalle neus die als een schutting tussen de twee delen van zijn gezicht staat. Sluik haar met een haarlijn die zich in de loop van zijn carrière steeds sneller zou terugtrekken. Een wat afwezige blik in ogen die net te dicht bij elkaar staan. Het kruis dat altijd op zijn borst rustte, was een teken van zijn devotie, evenals de foto van Padre Pio, die ingelijst in zijn woonkamer hing, tussen de Maagd Maria en, jawel, Che Guevara.

Zigoni had er al een heel voetballeven op zitten toen hij bij Hellas belandde. Jaren speelde hij voor Juventus, Genoa (waar hij in twee jaar uitgroeide tot het idool van de harde kern) en AS Roma. In Verona, waar tutti sono matti, zoals het spreekwoord schijnt te luiden, werd hij wereldberoemd. De John Wayne van de voorhoede. Geen voetballer, maar een bewegende poster. Niet geïnteresseerd in het maken van alledaagse doelpunten, ondanks zijn bijnaam, Zigo-gol. De helft van de tijd slofte hij op zijn rode schoenen over het veld met het air van iemand die zich ergerde aan de onkunde van de stervelingen die hem omringden. Lang dacht hij werkelijk dat hij de beste voetballer van de wereld was, beter nog dan Pelé, tot hij in 1972 met Roma een keer tegen het Santos van Pelé speelde. Toen pas bond Gianfranco Zigoni een beetje in.

Nog altijd spreken ze in Verona met een zekere devotie over Gianfranco Zigoni, alsof hij ze kampioen heeft gemaakt, alsof hij de grootste speler is geweest die ooit in Verona is neergestreken. Iedere voetballiefhebber van boven de veertig zingt de liedjes, waarvan ‘Zigo-gol super-star’ (niet toevallig op de maat van ‘Jesus Christ Superstar’) de bekendste was. Met de verbijstering nog in de ogen vertellen vaders hun zoons het verhaal over die keer, op 20 mei 1973, dat Zigo-gol er zin in had en min of meer solo het grote Milan met 5-3 oprolde.

En vol vertedering verhalen fans over die keer dat hij voor de wedstrijd tegen Fiorentina door trainer Bentegodi reserve werd gezet en Gianfranco vervolgens in de dug-out verscheen, gekleed in een witte bontjas en met een witte cowboyhoed op het hoofd. Zelfs het verhaal over zijn auto-ongeluk, toen hij met zijn Porsche in een greppel belandde en hij met geopende ogen en het hoofd doodstil op het stuur lag toen de dokter arriveerde en hoe hij, tegen de tijd dat de paniek over de dood van Hellas’ held voldoende was opgelopen, plotseling een knipoogje gaf, wordt nog altijd met smaak doorverteld.

Zijn collega Ezio Vendrame – nog zo’n cultfiguur uit het souterrain van de Italiaanse voetbalhistorie – schreef een boek over zijn leven. Tegenwoordig leidt Gianfranco Zigoni een tamelijk teruggetrokken leven. In een documentaire over zijn leven vertelt hij over zijn hernieuwde ontmoeting met God (toen hij na zijn scheiding een tijdje bij een priester in huis woonde). De kijker ziet hem traag en schijnbaar doelloos in een spijkerpak over een landweg fietsen. Op de vraag of het hem goed gaat, antwoordt Zigoni: “Ik heb niet veel nodig. Ik heb genoeg aan een broodje salami, een glas wijn en totale vrijheid.”

 

#amarcord #figurine #annisettanta #zigoni #verona #hellasverona

Een bericht gedeeld door Mario Bocchio (@mariobocchio) op

Frank Heinen